Herfstig weer, bomen verkleuren, bladeren dwarrelen in sierlijke bewegingen. Heerlijke herfst, verandering van seizoen, de sloomheid verkleumt en maakt tijd voor hernieuwde energie. Buiten zitten is nu met truien en jassen, het vuur knettert en verwarmt. Als ik in de vlammen kijk voel ik me een gelukkig man. Mijn lief zit naast me, beide verzonken in onze eigen gedachten. Wat een heerlijkheid om samen te zijn. Liefde  met jou Denise, is het fijnste dat er is.

Het is kwart voor 6 ‘s avonds als ik op mijn fiets huiswaarts keer.  Ik heb een enorm drukke dag gehad, lichamelijk moe en mijn gedachten schieten alle kanten op. Ik kan niet stoppen met afsluiten en me aan het weekend overgeven. Toch ben ik eerder op gehouden om langs de slijter te gaan; mijn vriend Jacques, de Dionysos en leverancier van ’steun en toeverlaat’.

Ik moet een fles whisky  hebben als cadeau. Even voor sluitingstijd struin ik zijn zaak binnen en vraag aan een van zijn medewerkers om een vergelijkbare fles die ik laatst gekocht heb, waarvan ik weet dat ze deze fles niet meer hebben.  Dilemma voor de medewerker, ik zie hem kijken met een blik die getroebleerd is. Lekker duidelijk weer Haanappel.

Jacques komt hem redden en neemt me mee naar een raamloze ruimte. Deze kamer is gevuld met mooie ambrozijnen en ander kostelijk nat. Hij neemt de tijd voor me, laat me ruiken aan kleine flesjes, om de beleving te vergroten. Door zijn verhalen proef ik de sfeer van het moment.  Nu heb ik een probleem. Ik ben zo enthousiast door zijn bevlogenheid, dat ik niet weet welke fles ik moet pakken. De Ierse whiskey, de woestijn eau de vie of de Russische brandy. De klok gaat scherprechter zijn en rond half 7 kies ik voor een veilige variant, ik dien tenslotte rekening te houden met de gastheer ’s avonds.  Ik reken de Ierse af met een zucht.

Jacques kijkt me aan; “een stressvolle dag gehad?” Zijn handen verfraaien de verpakking met een krul. “Ja”, beaam ik met een tweede zucht.

“Ah, zo’n dag”

Nu ken ik hem al een aantal jaar, als regelmatige bezoeker, maar ik laat me toch iedere keer verrassen. Hij onthaast al jaren door oosterse wijsheden en gebruiken.

“Heb je gras thuis?”

Ik heb direct een verkeerde associatie en zie me zelf gras eten om tot rust te komen.

“Ja, maar ik heb liever een borrel zo meteen”

“Dat snap ik. Wat je doet als je thuis komt, is je schoenen uit trekken en dan ga je eerst een paar minuten met je blote voeten in het gras staan. Je moet aarden”

Ik kijk hem aan en aan zijn vriendelijke gezicht zie ik dat hij het meent. Iedere verkoper zou zeggen, dat ik naar huis moet gaan om een borrel te pakken.

Met een glimlach neem ik afscheid. Gek genoeg ben ik de waan van de dag kwijt, zijn woorden hebben me geraakt.

Thuis trek ik mijn schoenen uit en aard zolang de borrel in het glas zit.

Santé

Er was eens een lieve prachtig mooie vrouw. Ze straalde en verblinde met deze schoonheid een blonde Hollander. Telkens als hij haar zag, sloeg zijn hart menigmaal over. Als ze samen waren, verdronk hij in haar ogen. Hij werd verliefd en vroeg haar ten huwelijk. Ze zei ‘ja’ en ze trouwden op een van de warmste dagen van een geweldige periode en ze leefden nog lang en gelukkig…

Nu zou je denken dat het sprookje uit is.

Het is geen sprookje en voor de blonde Hollander de gelukkigste tijd.

Elke dag verdrinkt hij nog steeds in haar ogen. Als hij over haar praat, straalt zijn gezicht.

De ‘hij’, de blonde Hollander, ben ik en de lieve prachtige mooie vrouw ben jij Denise.

Lieve schat, ik geniet zoveel van jou, de verrijking van gevoelens, me veilig en vertrouwd voelen is onderdeel van mijn geluk geworden. Mijn liefste, maatje, minnares, vrouw, mijn alles. Ik realiseer me het geluk dat we samen hebben.

‘Samen oud worden’ vertelden we elkaar, ik wil niks liever. Elkaar onze roerselen vertellen, feest vieren, Carnavallen, festivallen, samen tegen elkaar op de bank. Je voelen, naar je luisteren, lachen en vooral bewonderen. Je bent een bijzondere vrouw. En ik? Ik kan alleen maar verliefd op je zijn.

Elke dag is Valentijn voor mij

In een dorp wonen heeft zo zijn voordelen. Iedereen kent iedereen. Ik heb een houtkachel en ik wil vuren. Een paar weken geleden zag ik dat er een tractor met hout bij de overburen naar binnen werd gereden. Een goed moment om kennis te maken. Een kwartier later had ik een kuub hout in mijn achtertuin liggen en het telefoonnummer van de schoorsteenveger.

Twee weken later belden de vegers aan; Sven en Janus.

Ik zou verwachten, dat ze het dak op zouden klimmen. Niets minder is waar. De twee potige kerels liepen het huis binnen met hun schoorsteen accessoires. Kachel werd van de muur getrokken en een soort golftas werd voor de schouw neer gezet. Ik bekeek hen aandachtig.  In de golftas zat een verscheidenheid aan ruwe borstels en stokken. De borstel werd gebogen en in het rookkanaal geduwd. Het uiteinde aan een stok bevestigd. Met de elegantie van een chirurg, werd de borstel  om hoog geduwd. Het tweede potige manneke zorgde met een super nilfisk dat er ook maar geen enkel roet deeltje de kamer in dwarrelde.

Ik zag hier, dat de schoorsteenveger iets geleerd heeft. Het beroette beroep heeft nog steeds een slechte naam. Ik ken de verhalen van oplichting en ben daar zelf slachtoffer van geweest. In mijn vorige huis, met houtkachel, moest voor het eerst ook geveegd worden. Mijn eerste kachel en ik volgde de regels; ieder jaar een veeg.

Deze heren, klommen wel het dak op en inspecteerden de schoorsteen van boven. De info die ze vanaf de nok gaven, was zo technisch en angstaanjagend dat ze direct over moesten gaan op het vernieuwen van de kap. Voor 300 euro wilde ze dat wel doen. Als dat niet gebeurde zou er wel eens schoorsteenbrand uit kunnen breken. Met die wetenschap en mijn onervarenheid gaf ik akkoord voor het plaatsen van een rotorvent. Binnen 5 minuten stond er een glimmende en draaiende kap op de schoorsteen. Was ook voor een super zuigkracht. Ja ja, na zo veel jaar weet ik wel beter.

De vegers van vandaag, met mondkapjes voor,  gingen als een team te werk.Sven en Janus stuwden de borstel naar boven tot het kapje, een simpel ding en veegden in een gesmeerde samenwerking het kanaal. Terwijl ze dat deden, dansten ze als ballerina’s rondom het vloerkleed, om maar geen beschadigingen of troep te maken. Ik vond het maar wat komisch. Ineens kreeg het verguisde beroep iets vrouwelijks. Handenvol roet en gruis werd uit de pijp gehaald. Ik stond er versteld van, de vorige bewoners hebben blijkbaar nooit geveegd.

Na het vegen en afrekenen, gaven ze me een schone hand en vertrokken. Klaar voor de stook!

Nu zit ik met een wijntje, in gedachten, naar het vuur te staren en mis mijn lief, die voor het werk op reis is, om dit samen mee te delen.

De bel gaat. Ik word opgeschrikt uit mijn overpeinzingen.

Denise en ik, zijn net in het dorp komen wonen en daardoor is er nog niet zoveel aanloop. Langzaam sta ik op van de bank en slof in gedachten naar de voordeur. We hebben een kijkgaatje in de deur, maar als ik er door heen kijk, zie ik niemand staan.

Als ik de deur open maak, staat er een onooglijk oud kereltje op de stoep.

Ik zie drie stompjes tanden in zijn mond staan. Een peuk kleeft aan zijn onderlip als hij praat. Hij heeft een grijze stoffen overjas aan en staat op klompen. Als hij een puntmuts op had, zou hij zo uit de voortuin weg gelopen kunnen zijn. In onverstaanbaar dialect  vraagt hij iets. Ik versta alleen ‘aardappels’. Aha, de aardappelboer van het dorp.

Ik koop nooit aan de deur, maar deze oude man heeft iets onschuldigs. Ik kijk hem nog eens goed aan, terwijl ik de overweging maak om tot kopen over te gaan. Niet het ontbreken van tanden trekt mijn aandacht, maar zijn enorme handen. Zo klein als hij is, zo groots zijn z’n handen. Deze handen kunnen in eens een rauwe aardappel pureren. Grote donkere nagels, als of hij net geoogst heeft.

Twee guitige ogen volgen mijn blik en hij steekt zijn enorme hand uit. “Sjarrel”, versta ik en ik pak de hand. “Bram, hallo Sjarrel. Ik neem een zak”. Mijn hand wordt ontsloten door zijn enorme knuist. Ik voel zijn hand samenknijpen en vrees voor het breken van die van mij. Terugtrekken is geen optie, ondanks zijn 2 turven hoogte.

“Walnoten bij?”

“Ja, doe maar een zakje” stamel ik. Ik ben blij als hij de greep laat verslappen en ik die van mijn kan terug trekken.

Sjarrel sjokt naar zijn tractor en haalt achter de laadklep de zakken tevoorschijn.

“Tot volgende week”, zegt hij, als ik afgerekend heb.

Dat dacht ik niet, volgende week blijven de gordijnen dicht, wordt er niet gereageerd op de bel en de eerste jaren wordt er geen lord of the rings meer gekeken.

Ik zie hem zitten, ineen gedoken, afgekeerd. Onderuitgezakt; half zittend, half liggend op een bank in het stadspark. Zijn gele ski-jack is al lang niet geel meer. Gescheurd en smoezelig. Goedkoop vulsel puilt uit de gerafelde naden als overkokende melk. Hij neemt niet de moeite om zijn veters te strikken, deze bungelen aan zijn versleten booties. Zijn spijkerbroek glimt in de laatste zonnestralen van de dag. In zijn hand heeft hij een fles wijn. Af en toe tilt hij zijn hoofd op en zet zijn gebarsten lippen aan de fles. Hij drinkt grote slokken. Bij iedere slok vallen plukken haar in natte slierten voor zijn ogen. De dag gaat in een roes aan hem voorbij. Althans dat denk ik.

In de winkel staat een vrouw naar een dameshorloge te kijken. Ik kijk met haar mee. Het duurdere segment, Zwitsers echt goud. Haar snit is netjes, Italiaanse confectie, gehipt in de lente kleuren. Borsten gelift en tanden gebleekt. Verveeld staat ze te kijken. Met irritant getik wenkt ze het personeel dat schielijk toegesneld komt. Om haar armen hangen de aankopen van de dag. Met gemak wordt een credit betaling gedaan. Ik zie geen opwinding, geen langverwacht verlangen of impulsieve daad. Haar dag is een ontvluchting. Althans dat denk ik.

Deze arrogantie naar het leven toe pakt me bij de strot en beneemt me de adem. Waar is die libido en waarom wordt de thanatos zo erg getart?

De wil en de lust. Het genot van de liefde en het gieren van de lente door de lendenen. Waarom die glimlach zo’n ontlading met zich mee kan brengen en dat ene nummer waar je kippenvel van krijgt. 6 vrienden aan de Blair Witch en mijn collega dat compliment geven waar hij zo’n recht op heeft, maar van zijn baas niet gaat krijgen. Ik ga coachen en vooral mijn vriend steunen, die de ballen heeft om te durven stoppen met roken; ‘omdat het leven zo mooi is’. Althans dat weet ik

In de kerk hangt nog de geur van een bewierookte mis. Hier heeft de pastoor over hel en verdoemenis gepredikt. Gespierde taal in een kleine gemeenschap, waar zonden door een hogere macht in beweging gezet worden. De gemeenschap weert zich tegen de wolf door bloed en brood tot zich te nemen. De herder reikt het uit. Zijn bestraffende woorden dragen de toornende troost voor het berouwvolle volk.

Langzaam loop ik door het middenschip naar de zijbeuken. Ik ben niet gelovig, ik geloof niet in een god. Toch bezoek ik graag een kerk. De hole stilte, iedere voetstap die echoot door het schip en nagalmt tot achter het altaar. In dit gebouw overheerst echter de soberheid.  Het interieur van deze kerk staat haaks op de roomse overdaad. Ik voel kilte en verstikkende rust. Het waart als een geest rond. Ik voel me niet welkom. Ik zie het aan ‘het lijden’. Het wordt op een gruwelijke wijze afgebeeld. Als vertellend stripverhaal hangt het aan de muur. Er gaat een waarschuwing vanuit. De uitstraling van angst.Ik sluit de zware deur achter me en stap terug in de grijsheid van de dag. De donkere dreiging van de natuur vind ik minder triest dan de bedomptheid van binnen.

De eerste vlokken vallen, het zal niet meer ophouden.

Inmiddels worden we in het dorp een attractie. Achter de vitrages worden we in de gaten gehouden. Wanneer we voorbij lopen voel ik vreemde ogen in mijn rug priemen. Zoals in de meeste Ardense dorpen speelt het leven zich binnenshuis af. In de winter maanden zie je bijna niemand op straat. Een toevallige passant, die zijn hond uitlaat, mompelt iets terug op onze welgemeende groet. Hier is de vergrijzing een feit. Nergens kinderen te bekennen. Geen vrolijkheid. De huizen hebben kleine ramen, dikke muren.

De beslotenheid van het naar binnengekeerd zijn, de beslotenheid van een gemeenschap. De grijsheid van het bestaan.

 

Ik zit in een Ardense keuken Condroz bier te drinken. Het is in de plaatselijke brouwerij gebrouwen. Dit fantastische geurige amber bier heeft een intense smaak en kleurt de winterdag.

Ik denk terug aan de valentijnse zondag die zonder vruchtbaarheidsfeest aan me voorbij is gegaan. Daarentegen zie ik Waalse mannen met grote bossen bloemen hun minnares opzoeken. Ik verdenk dat er ook een heleboel moeders bij zitten. Wellicht is de Waal niet kieskeurig en combineert hij drie in een; moeder - vrouw en minnares. De man die met een bos bloemen het huis tegenover mij in gaat,  kijkt over zijn schouder of niemand hem spot. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik knik. Een glimlach tekent zijn gezicht voor hij de deur achter zich dicht trekt. Vruchtbaarheidsriten zijn ook in deze contreien gecommercialiseerd, de fleurist in het lendende dorp is een rijk man.

Wanneer een gedeelte van het dorp de kerkdienst bij woont,  loop ik bij de slager binnen. Achter een hakblok staat een kleine gedrongen man. Zijn witte jas is besmeurd met vette vegen en bloed.  Met krachtige korte armen hanteert hij een groot hakmes en laat het na mijn ‘besjoer ‘ hard neer komen op een varkenspoot. De poot wordt door zijn kracht in tweeën gebroken. Twee varkensogen kijken me aan. De moorddadige blik in zijn ogen doet me denken aan de sublimatie theorieën van Freud.  Ik geloof dan ook niet dat deze slager een gelovig man is. Achter in de zaak ontdek ik een rondborstige pin-up. In een geile pose valt ze niet eens op tussen de naakte hammen. Op de een of andere manier schokt het me niet eens. In dit dorp vind ik de rauwe rudimenten van het Ardense platteland terug. De enorme afgelegenheid en de  beslotenheid van deze gemeenschap proef ik terug in de specialiteiten. Ik wijs een rosbief aan die aan een haak hangt. In weinig woorden maakt hij duidelijk dat het vlees al ‘vendu’ is. Dan maar iets anders en even later verlaat ik de slagerij met een entrecote van een kilo.

Ik lijk me geheel aan te passen.

Stoeptegel staat met zijn neus tegen het koude glas naar buiten te kijken. Gedachteloos, wat moet je anders? Op zijn mobiel leest hij het laatste HR nieuws voor het MT. Meer beweging, meer interactie, flexplekken. Personeel moet meer van hun plek, socializen bij de automaat. Hoe krijg ik die nerds van hun plek?

Badmuts haalt koffie, het derde bakkie inmiddels. De boys van de gang kijken haar weer na. Stoeptegel draait zijn hoofd om en ziet de hoofden van de verrekte nerds van achter hun scherm geil naar de billen van Badmuts staren.
Langzaam valt het kwartje.

Door haar gang door de gang komen die nerds nog eens achter hun scherm vandaan. Bewegingstherapie. Normaal zijn ze honk- en schermvast en vastgeplakt op hun stoel,  binnen armbereik van cola, snickers en zure bommen. De kortgeroktheid van Badmuts zorgt enigszins voor lichamelijke inspanning.
Buiten de dagelijkse inspanningen van 3 x schijten, 8 x koffiehalen, 1 lijntje op de wc en 20 sigaretten onder het afdakje moet er meer beweging zijn. Moet wel op te pimpen zijn tot 0.8 fte.
Ruw uit zijn overpeinzingen gehaald kijkt hij naar de borsten van Badmuts. In haar hand heeft ze een mok koffie voor Stoeptegel.
‘Hiero’ kirrend geeft ze hem zijn koffie.
‘Zeg’ zegt hij tegen ze; ‘als jullie morgen eens soberder gekleed gaan, wat spannender zeg maar. Wat vinden jullie daarvan?’
‘Nou meneer Stoeptegel’ kirt Badmuts ‘wat stelt u voor?’
In zijn gedachten worden een aantal suggesties zonder gene afgespeeld. Hij kijkt naar buiten, het sneeuwt.
‘Veel bloot juffrouw Badmuts’
‘Oei, mijnheer Stoeptegel, wat gaat u doen?’
‘Nou ik niet, juffrouw Badmuts. De jongens van de gang’
‘Oei mijnheer Stoeptegel, een echte gangbang. Jammie’

‘Ja Badmuts, ik ben bang, ik ben bang……

To a haggis…….

Afgelopen zaterdag zou ik een Burns supper krijgen. Een avond vol Schotse heroïek met liederen, poëzie en kookkunst.  In de weken  daar voor had ik al het genoegen de verhalen aan te horen van mijn Schotse collega’s. Het doornemen van Schotse kookboeken ontlokten hen, ver weg van hun geboortegrond, vele ‘jummy’s ‘en ‘thats real good food Bram!’Ze beleefden weer hun eigen jeugd. Het is een sobere keuken, met vooral stovies en claphots. Waarschijnlijk doe ik ze nu erg tekort, ik heb het helaas niet kunnen proeven!

Sinds begin December sloop ik mijn lichaam en negeer ik de signalen; roofbouw plegen en maar doorgaan met hoesten. Waar anderen zich verbazen en ergeren, haal ik mijn schouders op en bedenk me, dat ik dit altijd al zo gedaan heb: hoesten doe je tot het moment dat je moet stoppen, omdat je moet kokhalzen.

Een verschrikkelijke droge kuch die maar blijft irriteren zolang je blijft hoesten. Zo ging het vroeger en 1 keer in de zoveel jaar komt dat terug. Nu drijft ie mij al bijna een maand tot waanzin.

Met dit weerzinwekkende geblaf verstoor ik niet alleen de slaap van mijn gezin, ook irriteer ik de concentratie van mijn collega’s. Vrijuit deel ik in lichaamssappen en storend geluid. Ik ben een levend bewijs voor bron van infectie en ben daarin erg succesvol. Veel van ze nemen mijn storende geluiden en gesnotter over. Ik ben niet alleen captainrodeonopvallendeboerenzakdoek meer. We maken veel geluid samen. Tot nu toe was er een groot verschil. Ik bleef komen, terwijl anderen afhaakten. Een combinatie van loyaliteit, maar vooral een kinderlijke naïviteit van hoogwaan; ik was immers altijd sterk genoeg en niet ziek genoeg om thuis te blijven.

Ik sloot mijn ogen voor de realiteit. In die naïviteit rende ik nog iedere week mijn rondje van 15 km, waarna ik kinkhoestend een half uur thuis moest bijkomen. Stond  ’s ochtends om half 7 voor het werk al aan de gewichten te trekken alsof ik een kerel van 25 zou zijn.

Verdomme ik ben 45 en heb niet meer de flexibiliteit van jonge vent. De weigering dit te erkennen bezorgd me het ziekbed. Geveld door griep, passed out.

Geen Burns supper gehad, zwaar klote

 

« Previous PageNext Page »