Tue 22 Sep 2009
Als klein manneke keek ik nieuwsgierig de wereld in. Soms werd ik gegrepen door een blik of een houding van iemand. Het was vaak een trieste die me mateloos intrigeerde. De verdwaasde blik van een kerel die voor zich uit in het luchtledige keek, zijn hangende schouders en de autistische ritmiek van zijn ledematen. Meestal waren het kerels die door hun vrouw de stad in werden getrokken, om op de zaterdag uit te kijken naar een paar nieuwe sokken en das. De triestheid in kwestie accepteerde zijn lot en sjokte achter zijn eega aan. Verdwaast, berustend en in gedachten verzonken.
Ik probeerde die gedachten te doorgronden. Niet bewust van de ellende in de man zijn hoofd, bedacht ik me als manneke dat deze man zo ongelofelijk zielig was. Ik kon hem alleen met open mond aan blijven staren. Met dezelfde blik keek ik zijn kant op en bedacht dat hij zijn geld was vergeten of honger had. Het was de leegheid in zijn ogen. Ik kon me niet bedenken dat iemand zo triest kon zijn.
Vandaag deed ik bij de buurt super de boodschappen. Tijdens mijn survival tussen de koters en hun moeders sta ik peinzend in de kaasbak te kijken. In vertwijfeling tussen jonge en belegen beleef ik de dag in vogelvlucht. Morsig sta ik te kwijlen boven de kaas. Naast me staat een klein manneke naar me te kijken. Zijn ogen vangen mijn blik . Als ik naar hem lach zie ik hem opgelucht ademhalen. Met een grote grijns loop ik naar hem toe en geef hem een aai over zijn bol.