Als klein manneke keek ik nieuwsgierig de wereld in. Soms werd ik gegrepen door een blik of een houding van iemand. Het was vaak een trieste die me mateloos intrigeerde. De verdwaasde blik van een kerel die voor zich uit in het luchtledige keek, zijn hangende schouders en de autistische ritmiek van zijn ledematen. Meestal waren het kerels die door hun vrouw de stad in werden getrokken, om op de zaterdag uit te kijken naar een paar nieuwe sokken en das. De triestheid in kwestie accepteerde zijn lot en sjokte achter zijn eega aan. Verdwaast, berustend en in gedachten verzonken.

Ik probeerde die gedachten te doorgronden. Niet bewust van de ellende in de man zijn hoofd, bedacht ik me als manneke dat deze man zo ongelofelijk zielig was. Ik kon hem alleen met open mond aan blijven staren. Met dezelfde blik keek ik zijn kant op en bedacht dat hij zijn geld was vergeten of honger had. Het was de leegheid in zijn ogen. Ik kon me niet bedenken dat iemand zo triest kon zijn.

Vandaag deed ik bij de buurt super de boodschappen. Tijdens mijn survival tussen de koters en hun moeders sta ik peinzend in de kaasbak te kijken. In vertwijfeling tussen jonge en belegen beleef ik de dag in vogelvlucht. Morsig sta ik te kwijlen boven de kaas. Naast me staat een klein manneke naar me te kijken. Zijn ogen vangen mijn blik . Als ik naar hem lach zie ik hem opgelucht ademhalen. Met een grote grijns loop ik naar hem toe en geef hem een aai over zijn bol.

Roken is iets dat nog sporadisch in huize Haanappel wordt gedaan. Wanneer Oma, Raoul, Pantani of andere vrienden over de vloer komen staan ze al snel op het verbanningsveldje hun geneugten te doen. Dat was 4 jaar geleden wel wat anders. Ik was een steady draaier en kon vet genieten van mijn shaggie. Als roker heb je geen idee hoe dat je ruikt. Dat laatste sigaretje voor het slapen gaan, wegspoelen met een glas whisky, mmm heerlijk, maar als een caféschoorsteen kroop ik dan in bed. In de veronderstelling dat ik de meest erotische geur mee onder het dekbed nam. Achteraf  kan ik me indenken dat knuffelen met een stuk houtskool even opwindend is.
Ik werd er dit weekend toch even mee geconfronteerd. Toop vertelde aan tafel dat hij de nieuwe inval juf maar helemaal niks vindt. Waarom dan niet?
“Ze stinkt, vooral na de pauze. Dan komt ze de klas binnenlopen met zo’n rookdoosje. Dan stinkt ze overal. Haar handen, maar vooral uit haar mond en als ze dan naast me komt zitten moet ik mijn neus dichtknijpen”
Nu weet ik even niet wat meer meurt dan een ‘laatste sigaretje in de pauze’. Een collega die net een salami worst naar binnen heeft gewerkt, mijn briljante nerd die niet weet wat deo is (schone kleren; wat zijn dat?), of de overweldigende geur van slechte parfum in het bos.
Wat me vooral bijbleef van Toop zijn verhaal was het ‘rookdoosje’. Een bijzonder woord. Ik ben opgegroeid met de sigarendoos en pakjes sigaretten op tafel. Toch over een aantal generaties weten kinderen niet meer wat roken is. Net zoals de gulden en de telefoon met draaischijf of onbereikbaar zijn.

Vannacht ga ik dromen van kampvuur in de Ardennen. Ik kijk dromerig in de gloed van het vuur en draai een shaggie. Ik neem een teug uit mijn heupfles en realiseer me dat ik heerlijk onbereikbaar ben…….

Vanmiddag liet Toop me weten na het zien van enkele youtube filmpjes dat hij niet wil rugbyen.
De jongste Haanappel telg is niet zo sportief. Met zijn woorden “ik ben niet zo van sport”, had ik hem de opdracht gegeven eens te kijken naar wat sporten. Om er zeker van te zijn dat hij badminton niet verward met tennis en voetbal van hockey kan onderscheiden. Eigenlijk verbaast me dit te zeerste. Iedereen in huis is actief en doet dat individueel of in groepsverband. Het is alleen niet zijn ding. Ik wil hem niet pushen, maar na de vakantie ben ik hem toch een beetje aan het voorbereiden op een sportief bestaan. Omdat Rugby mijn ding is, heb ik hem enthousiast het spel via de digitale weg laten zien.
Ook heb ik in de vakantie een start gemaakt met een ander must do in de opvoeding; het lezen en zien van in de ban van de ring. Als je dan denkt aan orks,  kom je van zelf in Nieuw Zeeland terecht. Dus via de Haka, naar de mooiste try’s van de All Blacks .

Orks in de film maken blijkbaar minder indruk op hem dan het Rugby geweld. Hij vindt het maar niks. Wat heb ik mis gedaan?

De zomerse ochtenden in Beynac zijn van subtiele schoonheid. Het kasteel dat stoer boven de camping uitkijkt is gehuld in dichte nevelen. Door de  mist schijnt af en toe een zonnestraal die het landschap laat gloeien.
De camping ontwaakt. Ik verbaas me over de bejaarden. Ze komen ’s avonds met hun veel te grote campers het terrein op rijden. Rijden ze op een paar steunen, maar komen daarna hun voertuig niet meer uit. Als ik langs slenter zie ik ze binnen eten. Vraag me af wat hier de lol van is. Bram en Toop stonden gisteren nog verlekkerd te staren naar het enorme voertuig en zagen zich al helemaal door het Franse landschap zoeven. Mij niet gezien op die kleine weggetjes hier. Campers zijn voor de blauwe wegen van de Rand McNally.
Wanneer ik de poortjes van het zwembad open maak, zie ik in een hoekje onze vriend Jean Jupe staan. Hij is bezig met het pielen in een putje langs het bad. Hij heeft het verbodbordje voor roken en schoenen blijkbaar niet gezien, zijn bemodderde schoenen hebben sporen achter gelaten op de lichte tegels.
Zover mogelijk van hem vandaan glijd ik het water in en zwem mijn baantjes. Vanuit mijn ooghoeken hou ik hem in de gaten. Dat gaat niet wanneer ik een keerpunt moet maken. Hij is opgehouden met waar hij mee bezig is en ik zie hem duidelijk besluiteloos aan de rand van het water staan. Ik krijg het gevoel dat hij aan het wachten is tot ik klaar ben met mijn baantjes. Ik heb er net 10 opzitten en ik ga voor de 50 vandaag.
Na het keerpunt ben ik hem kwijt, maar heb heel sterk het gevoel dat er iemand naast me in het water is gekomen. Ik zie alleen helemaal niks. Ik zwem maar verder.
Als ik het volgende keerpunt heb gehad zie ik aan het einde van het bad twee witte billen boven het water uitsteken. Les fesses Blanc de monsieur Jean Jupe. Na 20 seconden komt Jean Jupe naar lucht happend naar boven. In zijn handen heeft hij een soort gereedschap.
Ik grijns naar hem, geschrokken duikt hij naar beneden en laat zijn witte billen weer zien.
Ik gil het uit van het lachen, het is zo’n komisch gezicht. Proestend verlaat ik het bad.

Op onze camping in het zonnige zuiden staat iedere ochtend een blauw autootje geparkeerd naast een mooie plataan.
Na wat spotwerk kom ik er achter dat het vehikel toe behoord aan de klusjesman monsieur Jean Jupe. Hij ziet er zo uit als zijn wagen; gebotst, gedeukt en versleten. Toch is Jean Jupe ergens begin veertig. Vlasjes grijs haar komen onder zijn baret vandaan en zijn aardbeien neus verteld het verhaal van een zeer goed Frans gebruik. Gebronsd snoeit hij de heg en met een Gitanes maïs bungelend in zijn rechter mondhoek stamelt hij een zacht bonjour in antwoord op onze groet.  Het naseizoen nadert en dat is te merken aan de bezigheden van Jean Jupe. De lege plekken worden niet meer opgevuld en dat geeft hem meer ruimte om met zijn maaitractor het terrein over te crossen. Al dagenlang horen we van ’s morgens tot ’s avonds het vrolijke geluid van de snoeier en maaier van onze vrolijke Franse vriend.
Om de Franse geneugten enigszins in te tomen en ook andere spieren te activeren dan de verwerkers van liflafjes, zwemmen we iedere ochtend baantjes in het mooie zwembad. Op onze slippers slenteren we langs bejaardencampers en jongegezinnencaravans. Voor deze laatste staan de nieuwbakken vaders en moeders met diepe wallen en chagrijnige koppen ons na te staren. Weer een nacht niet geslapen door jankende en krijsende koters. Leve het luchtbedje. Meestal hebben we het bad voor ons zelf en spartelen we in alle eenzaamheid enkele kilometers.
Deze morgen ben ik niet in het water, maar met de koters op stap naar de plaatselijke bakker en groenteboer. De purken zijn dit jaar onweerstaanbaar lekker. Terwijl Caat haar baantjes trekt doen wij ons te goed aan de eerste zak met fruit.
Wanneer we glimmend van het purkennat op onze gezichten de camping oplopen zien we het blauwe autootje van Jean Jupe. Behalve het ochtendritueel van krijsende baby’s missen we de snoei en maai geluiden. In bijna volmaakte ZEN toestand kijken we uit naar onze Franse vriend en luisterend naar de wat de zachte wind met zich mee voert.
In de verte hoor ik Caat gillen……….

Een subtiel begrip. Het recht om doorgang te hebben, ondanks dat het pad  over land van anderen gaat. Niet alleen een subtiel begrip, het is met name vooral een recht voor vrijheids beleving.

Twee weekenden geleden was het Limburgse heuvelland vol met Nederlanders die hun vrijheids gevoel kamperend  kwamen beleven.
‘echt het idee dat je op vakantie bent…… hiero,…. is zo buitenlands Sjaan’
Terwijl het aangenaam lente weer zomers aan voelde, liep het gezin Haanappel door de heuvels te struinen. Een van de favoriete wandel gesprekken gaan meestal over het maken van vakantie plannen. Met name de koters voelen zich vurig betrokken en ventileren hun idee: huizen ruil, liefst met een Zuid-Europees gezin.
Ik opper voor de verandering dat kamperen hier in Nederland helemaal niet slecht is. Inmiddels weet ik dat slecht weer ook heel normaal is aan de Tarn of in Apt en dat het enorm kan hozen in de Ardeche en de Creuze.
Nee, kamperen in eigen land lijkt me wel wat.

Als we door een draaihekje gaan, lopen we ineens een camping op. De route loopt dwars door een immens weiland van kamperen bij boer Vaos. Het hele veld staat mud vol met sleurhutten en iglo’s.
Direct achter het draaihek hebben een stuk of wat dikbuikige 50 plussers een partytent opgezet en terwijl hun echtgenotes de bbq proberen aan te steken, poetsen zij hun oldtimers op. De oude sportwagens staan glimmend de andere kampeergasten aan te gapen.
Een man met witte sportsokken in zijn nep - teva’s,  komt met een teiltje afwas onze kant op. Hij heeft blijkbaar onze verbazing  gezien en wijst ons waar we het veld over moeten steken. We kijken onze ogen uit. Op een camping maakt het ineens niet meer uit hoe je erbij loopt. Naast de zak aardappels staat het senseo apparaat, zelfs de kat reist aangelijnd ook mee.
Wat me vooral bijblijft is de dikbuikige 50 plussers, die amstel kratten stapelen.  Is dit het  Ultieme Nederlandse kamperen?
M. geneert zich en trekt me zo snel mogelijk het veld over. Toop en Roos zien er nog wel de lol van in, maar in het draaihekje word ik tegen gehouden door Caat.
‘NEE, we gaan niet in Nederland kamperen, dan ga je maar alleen’

Buiten regent het. Ik fantaseer over geulen om de tent graven, kaplaarzen en zuidwesters. Wolken die over de einder scheren, altijd tegenwind en zo genieten als mijn pad rechtdoor gaat.

Secret South, deze woorden spoken door mijn hoofd en hameren aan de binnenkant tegen mijn netvlies. Verwachtingen spatten op als regendruppels en beklijven met zoete herinneringen. Een weekend trappen door de Ardennen kan de eindeloze stroom niet stoppen. De roep om avontuur teistert mijn concentratie en striemt een langgerekte hunkering.

Samen met Toop doe ik de boodschappen in ons winkelcentrum.
Achter de kassa van de Blokker zit een dame dromerig voor zich uit te staren. Haar pretoogjes glinsteren. Vanaf het serviesrek  observeer ik haar. Lang geblondeerd haar, dat zo droog is dat het een bos stro lijkt. In elk oor 4 ringen en vermoed dat ze volledig gepierced zal zijn. Toch is de strikte kledingcode van de Blokker duidelijk; allemaal dezelfde kleding en geen opsmuk of aanstootgevende uiterlijkheden.
Omdat Toop buiten op het plein loopt te stuiteren, neem ik de tijd haar te observeren. Haar intens dromerige blik intrigeert me. Ik piel wat met kop en schotels en trek wat deksels van pannen. Ondertussen kijk ik tussen de rekken door en probeer haar gedachten te peilen. Ze bijt op haar lip en sluit haar ogen, ze lijkt compleet op te gaan in haar herinnering. Ik kan alleen maar raden naar haar roerselen. Ik doe een poging dichterbij te komen.
Wreed gestoord door een harde joviale klap op mijn schouder, word ik vrolijk begroet. Met een ruk draai ik me om en kijk omhoog naar een 2 meter boomlange Manuel. Mijn ex-pupil uit een vorig leven. Hij lispelt weer een onsamenhangend verhaal aan elkaar. Compleet vreemd en bij iedere hap lucht ontwaar ik zijn zilveren clitoris op zijn grijze lap. Vlagen van het gesprek probeer ik te ontwarren, maar ze zijn te fragmentarisch om er  een geheel van te maken
…………..politie………..gevecht…………uithuiszetting……..ouders…………batje……….ik……..batteraaf………….internaat………..bij de keel grijpen…….hoe heet je ook al weer?
Ik kijk langs hem heen. Haar pretoogjes zijn verdwenen. Ik luister naar zijn waterval van woorden die door blijven vallen in een eindeloze stroom debiliteiten.
‘Ik, ik ben Bram’
De dame achter de kassa is er weer bij en met een glimlach van oor tot oor is ze het  stralende middelpunt van de Blokker.
Manuel en ik lopen samen het plein op. Ik zie Toop die op de wipkip van de super aan het punken is.

‘Laat je niet gek maken’ zeg ik tegen Manuel als ik samen met Toop weg fiets. Even zie ik een glimlach om zijn verbeten mond. Hij steekt een hand op alsof hij wil zeggen dat het wel goed komt. Ik betwijfel dat.
Secret South, in het winkelcentrum, een klein stilleven van een avontuur. Te mooi om zachtjes te laten verdwijnen.

Een naderend ontslag werkt verlammend, zie ik om me heen. Er wordt alleen maar gepraat en gespeculeerd.
De mededeling had ’s ochtends gonzend de gemoederen bezig gehouden. Er ontstond een zenuwachtige trek naar het middelpunt van het gebouw. Niemand wist iets en in die onzalige onwetendheid nam de spanning toe. Ik wist direct dat het slecht nieuws was, terwijl er niks gecommuniceerd werd. Toch voel je dit aan, in een periode dat crises het zwevende woord is en zelfs tot in de slaapkamer merkbaar is. De voortekenen waren al gegeven in de roadshow van een aantal weken geleden. Bejubeld werd onze drive en het geweldige resultaat dat we met z’n allen bereikten. De spreekwoordelijke broekriem moest wel worden aan getrokken. De economisch recessie zou ook ons bedrijf raken.  De mededeling ’s middags tartte de loyaliteit. Veel sneller dan gedacht en gevonden worden we nu gesnoerd en al een week lang hangt een zwaard boven onze hoofden, het Damocles staal zal ongenadig hakken.
Ik laat het gelaten op me af komen en kijk vooral naar de reacties van mijn collega’s en wat het met ze doet. De effectiviteit verwordt tot een schimmig spel waarin ware gezichten tot uiting komen. Het is de onzekerheid die tot frustratie en spanning laat ontvlammen in excessief gedrag.
Ik heb nu een week de tijd gehad om te kunnen relativeren. Een week waarin ik heb kunnen nadenken. Dit stemt me mild en is voor mij een duidelijk signaal dat ik niet afhankelijk ben van de willekeur die nu aan het ontstaan is.
Laat het zwaard maar hakken, doe het snel, netjes en met respect.

‘We zoeken gekken die op de fiets de Alpen over willen, voor het goede doel dan’

Een klein berichtje op ons intranet, een heel klein berichtje dan. Niets zeggend, er zo overheen lezend klein berichtje, om daarna weer heel snel aan het werk te gaan en er vooral……..VOORAL niet bij stil te staan. Omdat het zo’n klein berichtje was, bleef het ook niet hangen en hield het me niet bezig. Stel je voor dat dit soort memo mij uit mijn concentratie zou houden.……………

Ik ben gek

Met een harde klap wordt de deur van mijn kantoor dicht gegooid. “Zo, die is dicht” denk ik. Met een rode kop en duidelijk toe aan een goed gesprek komt hij aan mijn bureau staan.
“en nu heb ik er genoeg van!”
Ik kijk hem aan, grote vent, stekeltjes. Armen als boomstammen en een grote draak als tatoeage die onder zijn hemd vandaan kruipt. Met draken moet je uitkijken. De draak symboliseert de synergie tussen de vier elementen uit de oudheid. Uit deze samensmelting komt de oerenergie. In mijn achterhoofd begint de alarmering te werken en besef heel voorzichtig te moeten zijn. Draken leveren als een symbolische slagader positieve energie, maar wees voorzichtig met het vuur, wanneer dit omslaat in boosheid. Ondertussen schreeuwt hij zijn verhaal. Uit de flarden die ik begrijp, is een futiliteit de ontsteker voor zijn drift en frustratie.
“en ik moet trouwen……”
Grote tranen rollen over zijn stoppelkin. Als een klein jong zit hij voor over gebogen te snikken. Zijn gezicht verdwijnt in de kom van zijn grote handen.
Ook in een digitale wereld is menselijkheid een niet te verwaarlozen item. Wat weten we eigenlijk van onze collega’s? Het vluchtige bestaan is een verarming.
“ze is een draak”

Oei…….

« Previous PageNext Page »