Kloot mikte een ferme straal in een leeg bier blikje. Door de kracht van de straal rolde het blikje voor zijn voeten weg.

Hij was er weer. De periode tussen onze laatste beschonken ontmoeting, leek tijdloos.

‘Pis moet schuimen’ zei hij.

Ik keek hem met een vragende blik aan.

Zonder me aan te kijken, vervolgde hij zijn verhaal.  ‘Je moet hard piesen, daardoor krijg je geen prostaat klachten.  Seks is ook goed, hou het zaakje in conditie, dan voorkom je ‘oude mannen klachten’. ‘Probeer het mos maar eens van de muur af te stralen’.

Met een arm zoek ik steun tegen de omheining. Ik sta behoorlijk in een dronkenmans roes zijn woorden te overdenken.  Sinds mijn studententijd heb ik hem niet meer gezien. Ik zou er klaar voor zijn. Ik dacht een afscheid voor altijd, in die stilte van de morgen, een leven geleden.

Waarom was hij er niet,  in eerdere moeilijke periodes en waarom uitgerekend nu wel?  De beweegredenen van Kloot zijn ondoorgrondelijk.

We hebben een hele avond bij elkaar gezeten, vuren, bieren en sterren. In de beslotenheid van het vuur vertelden we onze roerselen en blusten de spraak met bier. Het is zomer, de ochtend kou trekt omhoog, ik pies het mos van de muur.

Mijn gedachten nemen een loopje met me en schuimen op. De connotatie van het woord  vertrouwen heeft een diep liggende emotionele ondertoon. Ik verstil en staar in de vlammen.  Ik snap waarom hij er weer is.

‘Ik blijf nog even’

Ik kijk mijn vriend aan, vriendschap: vertrouwen en onvoorwaardelijk.

‘Schuimen…’