Zaterdagmiddag ren ik in een omtrekkende beweging langs het keerpunt. Ik verslik me iedere keer in de steilte van de heuvel. De ruim 100 meter recht tegen de hoogtelijnen in, bijten in mijn kuiten en verhogen mijn hartslag. Bovenop, aan de rand van het plateau heb ik een fantastisch uitzicht over de stad. De stad die ligt te baden in het licht van de ondergaande zon. Maastricht krijgt nogmaals een rode gloed.
Ik vind het heerlijk hier te rennen. Het geeft me een groots gevoel. Heel in de verte zie ik Luik liggen. Luik is voor mij de poort naar de Ardennen. Synoniem aan ruig- en heel sterk gevoel van innerlijkheid.
Het pad slingert zich verder omhoog. Als ik door de struiken een open plek in ren, verstoor ik een half naakt koppel, die, aan het standje te zien, niets aan de verbeelding overlaat. Hij staat achter haar, met zijn broek op de knieën, terwijl zij voorovergebogen staat met haar broek op de enkels. Beide kijken me betrapt aan.
Ik glimlach.
Ik mompel iets van “gaat ie lekker?” en ren door. Ik hoor trouwens niet wat zij antwoorden. Ik heb the Ting Tings opstaan. Katie schreeuwt in mijn oor dat het niet haar naam is.
Iets blijft knagen aan dit beeld. Ik heb het opgeslagen op mijn netvlies en tijdens het rennen scan ik mijn geheugen bestanden; ‘ik ken haar toch?’.
De man zegt me niks, ken zijn gezicht niet, geen idee wie hij is. Maar die vrouw, haar wel.
Langzaam ga ik de gezichten af; werk, moedersophetschoolplein, boodschappendoenbijdebuurtsuperenappie, sportschool, landelijkeenregionaletelevisie, BN-erinnen. Het CPU gebruik van mijn hersencapaciteit wordt gestuwd naar een bijna 100%
En dan de eureka. Ondanks de stuwing krijg ik kippenvel. Een stroomstoot drijft door mijn lijf; ik weet wie ze is!
Ik ben getuige geweest van een heimelijke ontmoeting rond zonsondergang.
Ik ga niks verklappen, ik geef geen naam. Ze zal toch zeggen: that’s not my name