Roken is iets dat nog sporadisch in huize Haanappel wordt gedaan. Wanneer Oma, Raoul, Pantani of andere vrienden over de vloer komen staan ze al snel op het verbanningsveldje hun geneugten te doen. Dat was 4 jaar geleden wel wat anders. Ik was een steady draaier en kon vet genieten van mijn shaggie. Als roker heb je geen idee hoe dat je ruikt. Dat laatste sigaretje voor het slapen gaan, wegspoelen met een glas whisky, mmm heerlijk, maar als een caféschoorsteen kroop ik dan in bed. In de veronderstelling dat ik de meest erotische geur mee onder het dekbed nam. Achteraf  kan ik me indenken dat knuffelen met een stuk houtskool even opwindend is.
Ik werd er dit weekend toch even mee geconfronteerd. Toop vertelde aan tafel dat hij de nieuwe inval juf maar helemaal niks vindt. Waarom dan niet?
“Ze stinkt, vooral na de pauze. Dan komt ze de klas binnenlopen met zo’n rookdoosje. Dan stinkt ze overal. Haar handen, maar vooral uit haar mond en als ze dan naast me komt zitten moet ik mijn neus dichtknijpen”
Nu weet ik even niet wat meer meurt dan een ‘laatste sigaretje in de pauze’. Een collega die net een salami worst naar binnen heeft gewerkt, mijn briljante nerd die niet weet wat deo is (schone kleren; wat zijn dat?), of de overweldigende geur van slechte parfum in het bos.
Wat me vooral bijbleef van Toop zijn verhaal was het ‘rookdoosje’. Een bijzonder woord. Ik ben opgegroeid met de sigarendoos en pakjes sigaretten op tafel. Toch over een aantal generaties weten kinderen niet meer wat roken is. Net zoals de gulden en de telefoon met draaischijf of onbereikbaar zijn.

Vannacht ga ik dromen van kampvuur in de Ardennen. Ik kijk dromerig in de gloed van het vuur en draai een shaggie. Ik neem een teug uit mijn heupfles en realiseer me dat ik heerlijk onbereikbaar ben…….