De trein wordt drukker naarmate we dichter de randstad naderen. Het lijkt de dikke kerel die tegenover me zit niet te deren. Zijn vette lijf zucht langzaam op en neer in golvende bewegingen; adem in, adem uit. Zijn ontbijt, dat langzaam uit de mondhoeken zijn baard door het slaapkwijl in stroomt, glinstert in het zwakke ochtendlicht. Ik moet even denken aan de reclame van de behulpzame dame bij het busstation, maar heb niet het lef een beflapje onder zijn kin te leggen. Ik vermoed een ambtenaar. Eerste klas kaartje, OV jaarkaart, geitenwollen sokken, gezondheidschoenen. Stropdas en jasje uit het jaar nullekes. Ambtenaar cultuur en welzijn. Een leerzaam proces te forenzen tussen Maastricht en Amsterdam. Bekijk met lede ogen reizend en werkend Nederland eerste klas. Het imago heeft de trein niet mee. Wat een chagrijn, wat een humeur, pure belegenheid. In dit ochtend gebed toch een lichtpuntje. De dame schuin tegenover me glimlacht naar me. Ik lach terug. Wakkere morgen gedachten ontspinnen in de verre gedrochten van mijn bewustzijn. De verzameling en de opeen gepakte medereizigers vragen om nadere beschouwing. Vanzelf neemt mijn fantasie een loopje met me.
Vraag me af hoe de ambtenaar zijn dag door gaat brengen. Hoe kan hij beleid gaan maken terwijl hij nu al moe is? Misschien is beleid maken wel erg intensief? Of heeft hij de nacht doorgebracht en tantra sex gehad met een stel dampende negerinnen. Kan ik van de lachende dame niet zeggen, ze zou wel willen, maar haar kerel was na de voetbalwedstrijd met een fles bier in zijn handen op de bank in slaap gevallen. De bank employee naast me heeft zulke glimmende schoenen. Dat doet hij,  schoorvoetend, staand bij de coffeecorner, om onder de rokken van zijn collega’s te kunnen kijken. De stuurse bril wil eigenlijk helemaal niet naar zijn werk. Zijn blouse is ongestreken en zijn sales outfit is gekreukt. Met een humeurige blik zit hij friemelend met zijn huissleutel naar buiten te staren.
Veel te snel ben ik in Amsterdam. De lachende dame drukt me een briefje in mijn handen. In een mum van tijd stroomt de trein leeg. Culturo Vetzo veegt met een smoezelige  zakdoek zijn baard af. De forens heeft een startsein gekregen. De trein is alleen maar een springplank, de forenzende mens als vluchteling van zijn gedachten.
Voor het station ontvouw ik het papiertje en zie nog net de eerste drie cijfers van een mobielnummer als een rukwind mijn verbazing uit handen blaast.