Een druilerige middag.  De grachten liggen er verlaten bij.  Een politieboot duwt een woonboot naar zijn plaats. Aan dek voeren de eigenaar en de agent een verhit gesprek. Door de regen ziet het er mistroostig uit. De klinkers glimmen, paraplu’s en een enkele bakfiets vervolgen hun weg, de brug over, zonder een een blik te werpen op de twee mannen die nu als twee kemphanen wankelend aan boord hun strijd voeren.

Ineen gedoken in mijn lange jas, loop ik door nat Amsterdam. Door de Nieuwezijds, kroegtijgers, een paar Engelsen in korte broek lallend , Duitse meiden en een paar Amerikanen, stoned na het eten van paddo’s. Een mengeling van hooligan- en  alternativisme, de kale tatoeages versus de lange gepiercete dreadlocks. Lijkt een alledaags gezicht.

‘Lijkt’, lijkt zo ver weg. Realiseer me het enorme verschil. De beslotenheid van de provincie en de mogelijkheden van een grote stad.

Het druilen gaat over in plensen. Grote druppels vallen door de aanwakkerende wind horizontaal. In een mum van tijd ben ik doorweekt en ga op in de anonimiteit. De grijsheid van het bestaan wordt geaccentualiseerd door de draagpracht van de Amsterdammer en de forens. In donkere weggekropen jassen vluchten voetgangers hun weg over straat. Trams knarsen voorbij en absorberen de rest van het schuilend publiek.

Met een glimlach been ik verder in een stad die zich opmaakt voor de avond. Ik steek mijn handen dieper in mijn zakken en zing zachtjes………