In het zachte licht van de nakende herfst ren ik de stad uit. Buiten de stads grenzen verbergen witte wiefen het glooiende landschap. Achter me draait iedereen zich nog eens om. De zondagmorgen remt de moderne mens in zijn ritme.

Mijn huid tintelt door de eerste kou, het vocht, vermengt met mijn zweet, parelt op mijn zwarte shirt. De zon klimt boven de heuvels en laat de flarden oplossen. Een enkele hond laat zijn baas uit.

Het pad door de grub ligt er verlaten bij. Een buizerd, op 2 meter afstand, laat zijn prooi voor mijn voeten vallen en vliegt met grote vleugelslagen het dal in. De bloederige duif blijft dood achter. Door deze onverwachte ontmoeting giert de adrenaline door mijn lijf. Alle pijntjes vergeet ik en voel me na vertragen intens een met mijn omgeving. Ik ga op tussen de rijen populieren, die aards geuren naar rottend blad. Met de zon op mijn gezicht ren ik tussen de landerijen, die met hun vele kleuren een groen palet vormen. Deze grootsheid drijft me voort.

Wanneer ik de stad nader ontwaar ik een ander aroma, met de geur van koffie en croissants ren ik de straat in. In de verte luiden de klokken voor de eerste heilige mis.

Maastricht ontwaakt.