Alles wijst erop dat het weer tijd wordt om aan tafel te gaan. 

Soms denk ik een hobbit te zijn.  Aan mijn tweede ontbijt te willen beginnen en mijn vierde avondsouper voor te bereiden. Op dit moment ligt de aubergine boven de kolen te roosteren om zo meteen tot een armeluis kaviaar versneden te worden. Naast mijn laptop staat een vaal gele korenwolf te schitteren in het licht. “Op een mooie pinksterdag” galmt door mijn hoofd en levert zoveel inspiratie op.  Vooral nieuwe recepten uitproberen.

In de schaduw beleef ik de afgelopen twee weken. Een perfecte synergie, volledig opgeladen en voldaan. Herinneringen aan ontmoetingen met dim-sum’s, kruidenburgers en Garfield’s lasagna’s. Weg gespoeld met goddelijke ambrozijnen. Een waar feest, puur genot.

Door mijn blessure ben ik nog meer gaan sporten. Het advies van de dokter galmt na in mijn hoofd, ik heb haar beloofd niet te rennen voor 1 juni.  Ondertussen tart ik mijn kunnen en cardio richting een hartslag van 180. Ik proef de zilte smaak van zweet en bedenk dat een witte muscadet uitstekend smaakt met gegrilde gamba’s. Ondertussen is mijn BMI veel te hoog. Aan tafel realiseer ik me dat deze hoog zal blijven. Alleen sporten is niet meer voldoende. Blijkbaar is leeftijd de storende factor geworden, een uitdijende klasse.

Na stoppen met roken is de volgende beslissing even gruwelijk. Vanaf derde pinksterdag zal ik opgaan in calvinistische voedselbeleving. Niet bakkeren of ander dieet, maar me overgeven aan sober- en matigheid.

Ik schenk me maar een vertroostend witbier in en por in het vuur voor de sardines en gamba’s. Morgen zal alles anders zijn.