Om iets voor drie uur sta ik aan de poort. Ik wacht het moment in alle rust af, sta met mijn gezicht naar de zon gericht met gesloten ogen te genieten van de luttele rustige seconden. Ik voel heel even de lente. Een vage geur van bloesem en gemaaid gras. Ik heb even geen oog voor roddels en luister niet naar alle scheve blikken. Mijn rode onopvallende tas staat tegen mijn fiets.

Het moment komt snel, ik voel het komen. Ik wil mijn ogen niet openen en heel bewust dat moment proberen vast te houden. De zon geeft zijn warmte af, de stralen strelen mijn gezicht. Ik voel het door de stof van mijn jas heen. Een zacht briesje voert de geuren van het park, velden en bossen met zich mee.

Ruw word ik gestoord in mijn zinneprikkelende gedachten.

“alsjeblieft de strontkleren van je zoon”

Voor me staat de nieuwe stagiaire, een ka van een wijf

“neem mee dat jong, hie is in de hondestrond gelope en heb de hele klas onde gesmeerd”

Oh

“neem mee dat jong, hie heb zijn broek ook vol met stront getverrrrr”

Ze draait zich om en beent met lange passen weg. Op haar bil zit een grote bruine vlek. Ik durf haar niet terug te roepen. Toop die het ook gezien heeft kijkt me aan. 

Lachend fietsen we de lente in.