Ik zie hem staan, voorover gebogen en graaiend in de grote super diepvries kist. Voor zover ik kan zien is het een beer van een vent geworden. Kort stekeltjes haar en grote ringen in zijn oren, het matje in zijn nek is tekenend. Hij draagt een oversized ski-jack en battle broek en zijn eeuwige sportsneakers. Wanneer hij zich opricht kijken zijn kleine ratteoogjes rechtdoor me heen. Ik zie het kwartje vallen en een grote glimlach verschijnt op zijn gezicht.

In een vorig leven ben ik groepsleider geweest. Ik werkte in een behandel groep met zwakbegaafde, gedragsgestoorde jongeren. Totaal losgelagen en verwilderd kwamen deze debielen binnen, uitgekotst door hun omgeving om veilig opgesloten te worden. Hier konden ze op adem komen, hier kregen ze het minimale en de eerste levensbehoeften.

De jongen die nu naar me lacht is Manuel en herinner me de vele momenten dat ik hem bij z’n kladden heb moeten grijpen. Ik herinner me een snotjong, op z’n Maastrichts een ‘batje’, een enfant terrible, mijn ergste nachtmerrie.

2 meter slungel loopt langzaam op me af, glimlach van oor tot oor. Toop ziet het aan en pakt mijn hand vast. Met de andere schud ik zijn hand. Ik realiseer me dat zowel hij als Toop dezelfde intelligentie hebben. Ik geef Toop graag nog een voorsprong met zijn 6 jaar.

Met Manuel gaat het fantastisch, woont beschermd met zijn vriendin en doet nu boodschappen met zijn begeleidster. Hij laat me zijn nieuwe kroon zien die als een witte parel zijn zwarte stompjes versieren.
Wat ik nu doe? Het waren toch leuke tijden op het internaat! “Ach we waren batjes, maar, ” en hij kijkt Toop aan “ik zie dat jij ze nu zelf hebt” “Kom eens langs, een pilsje drinken”

“ja doe ik”  

“Oh ja, ik ben je naam vergeten”

“Bram……mijn naam is Bram”

“Tot dan Bram”

….