’s Ochtends vroeg, in de keuken laat ik een dikke ochtend scheet. De koters aan tafel hadden alles gehoord en bedienen me van commentaar. Met een gezicht als een engel ga ik aan tafel zitten en vertel dat ik net op een brulmier ben gaan staan.

Even is het stil. De meiden proesten het uit, maar Toop kijkt me heel indringend aan. “Waar is die mier dan?”

“Die mier is net weer weggekropen”

“Is wel een stinkmier hoor papa”, zegt hij met een twinkeling in zijn ogen.

’s Middags aan de poort word ik door juffie Phiel naar binnen gevraagd. “Even praten” zeggen de indringende ogen. Met haar vieze liedjes en dito woorden in gedachten schuivel ik de school binnen. Ik ben voorbereid op┬áhet ergste.

Geen stijl vindt Juffie Phiel, brulmieren bestaan niet. Hoe ik die onzin aan mijn kinderen kan vertellen. Tobias heeft in het kringgesprek laten zien wat brulmieren zijn, compleet met stank. Gaat heen mijnheer Haanappel en laat het niet meer voorkomen. Ik ben de lolbroek van de school!

Ik kijk haar aan en ontdek dezelfde twinkeling in haar ogen, die ik vanmorgen zag in de ogen van Toop. Ze steekt me een vinger toe. “Zo leer ik het de kinderen, trek er maar eens aan!”

Ik trek aan haar vinger. Een daverend geluid ontsnapt uit haar billen.

Gierend loop ik met Toop het schoolplein af. “juffie Phiel is hartstikke gek, maar wel lief”

“ja jong, knetter……”