Impulsief steek ik de weg over en loop bij fietsenmaker naar binnen. Ik heb wat plakkers nodig. Een zwak excuus, ik zoek altijd wel een reden om even langs te gaan. Als een kind in een snoepwinkel, vergaap ik me aan de stoere rossen die me uitnodigen om op avontuur te gaan. Ik zie ons fietsen over lange eenzame wegen, bepakt en niet weten wat ons te wachten staat na de volgende bocht.

Ik vergeet mijn plakkers en verlaat de winkel met een fiets voor Denise. Hij is niet gek, die fietsenmaker en kent mijn koestering. Hij kent mijn wens om samen met mijn lief een lange tocht te gaan maken. De fiets krijg ik voor een weekend mee om in de omgeving te gaan toeren. Mijn glimlach moet meters breed zijn geweest.

Toch, terwijl ik terug loop, komen de bedenkingen. ‘Vind ze het wel leuk?’ Niets is erger om terug te moeten keren, een illusie armer, maar vooral een droom minder.

Haar glimlach is waarschijnlijk groter dan die van mij en even later ‘zoeft’ ze de straat uit. Ik kan niet wachten tot het weekend.

Als ik in het weekend naast haar fiets, bedenk ik me hoe stoer ik haar vind. Nooit een lange tocht gemaakt, maar wel samen op zoek naar avontuur. Hetzelfde avontuur dat we drie jaar geleden aan zijn gegaan. ‘Samen oud worden’ spraken we elkaar vol liefde toe. Het is geen illusie geworden, geen droom, maar een liefdevol avontuur.

Samen trappen we door de omgeving. Ik heb er geen oog voor, ik ben verliefd op die stoere meid op de fiets.

 

 stoere-meid.JPG