“What is a friend? A single soul dwelling in two bodies.”

Aristotle

Ooit je dubbelganger tegen gekomen? Waar je op een kruispunt van wegen afscheid van moet nemen, maar die je blijft volgen.

Mijn Alter Ego is Kloot. Kloot is de K in mijn volledige naam.  

Ik kwam hem tegen ergens op het Drentse platteland. We werden bevriend en zwierven samen over de es achter onze straat. Ik met het boekje ‘wat bloeit er in bos en hei’, hij met een jachtmes, die hij uit de hutkoffer van mijn vader weggenomen had. Twee opgroeiende jongens, een jaar of 12 oud. We trokken over de es, door de bossen. Zochten naar takken waar we bogen van maakten.  We werden bedreven in het maken van proppenschieters, die we vulden met eikels en met een grote knal weg schoten. Hij daagde me uit om in de hoogste bomen te klimmen en in het ven te zwemmen.

Kloot was mijn vriend en ik deed het. Hij maakte me hard en hielp me mijn angsten te overwinnen.  We lachten als we weer eens door een boer of boswachter achterna gezeten werden.  Na het ijsschotsen springen staken we een kampvuur aan om ons zelf en onze kleren te drogen.

In de zomer daarna lagen we naakt te zonnen op een vlot in het ven. We keken naar de lucht en zagen wolken langzaam aan ons voorbij trekken.  Blue en schaamteloos masturbeerden we in de zon en schreeuwden over de leuke meisjes.

Kloot zei dat ik klaar was en verdween.

Ik kreeg 3 vrienden en samen brachten we onze jeugd zorgeloos door. In de zomers tennisten we overdag, dronken  ’s avonds een biertje in de soos en zwommen naakt in het maanlicht, met of zonder de meiden.  Uren lang speelden we het spel risk of luisterden we naar de LP’s van onze vaders.  Later struinden we door de stad en gingen we waven in de Bronx. Jagen op camping Appelhof en dansen in de Wyb.

Kloot zag ik af en toe. Hij bezocht me op mijn studenten kamertje in de stad, toen ik sjeesde voor mijn studie. Hij nam me mee naar obscure kroegjes. Ik woonde aan de rand van de hoerenbuurt in Groningen, hoek Pelsterstraat/Zuiderdiep. Tegenover me woonde Tinus, een punker in schotse rok. Als we onze ramen open deden, konden we naar elkaar schreeuwen. Onder ons raceten de pooiers in hun camaro’s door de straat. Met z’n drieën dronken we biertjes tussen de hoeren en hun gezellen. Het rode licht flikkerde, André zong zijn levenslied. De kam van Tinus werkte hilarisch en haalde het rag van het plafond. De verhalen, het gelach. We morsten hele glazen, naarmate de uren verstreken.

Bij het ochtendgloren nam Kloot afscheid. Met dronken tranen omhelsde ik mijn vriend.

Ik was er klaar voor…