De bel gaat. Ik word opgeschrikt uit mijn overpeinzingen.

Denise en ik, zijn net in het dorp komen wonen en daardoor is er nog niet zoveel aanloop. Langzaam sta ik op van de bank en slof in gedachten naar de voordeur. We hebben een kijkgaatje in de deur, maar als ik er door heen kijk, zie ik niemand staan.

Als ik de deur open maak, staat er een onooglijk oud kereltje op de stoep.

Ik zie drie stompjes tanden in zijn mond staan. Een peuk kleeft aan zijn onderlip als hij praat. Hij heeft een grijze stoffen overjas aan en staat op klompen. Als hij een puntmuts op had, zou hij zo uit de voortuin weg gelopen kunnen zijn. In onverstaanbaar dialect  vraagt hij iets. Ik versta alleen ‘aardappels’. Aha, de aardappelboer van het dorp.

Ik koop nooit aan de deur, maar deze oude man heeft iets onschuldigs. Ik kijk hem nog eens goed aan, terwijl ik de overweging maak om tot kopen over te gaan. Niet het ontbreken van tanden trekt mijn aandacht, maar zijn enorme handen. Zo klein als hij is, zo groots zijn z’n handen. Deze handen kunnen in eens een rauwe aardappel pureren. Grote donkere nagels, als of hij net geoogst heeft.

Twee guitige ogen volgen mijn blik en hij steekt zijn enorme hand uit. “Sjarrel”, versta ik en ik pak de hand. “Bram, hallo Sjarrel. Ik neem een zak”. Mijn hand wordt ontsloten door zijn enorme knuist. Ik voel zijn hand samenknijpen en vrees voor het breken van die van mij. Terugtrekken is geen optie, ondanks zijn 2 turven hoogte.

“Walnoten bij?”

“Ja, doe maar een zakje” stamel ik. Ik ben blij als hij de greep laat verslappen en ik die van mijn kan terug trekken.

Sjarrel sjokt naar zijn tractor en haalt achter de laadklep de zakken tevoorschijn.

“Tot volgende week”, zegt hij, als ik afgerekend heb.

Dat dacht ik niet, volgende week blijven de gordijnen dicht, wordt er niet gereageerd op de bel en de eerste jaren wordt er geen lord of the rings meer gekeken.