September 2009


Als klein manneke keek ik nieuwsgierig de wereld in. Soms werd ik gegrepen door een blik of een houding van iemand. Het was vaak een trieste die me mateloos intrigeerde. De verdwaasde blik van een kerel die voor zich uit in het luchtledige keek, zijn hangende schouders en de autistische ritmiek van zijn ledematen. Meestal waren het kerels die door hun vrouw de stad in werden getrokken, om op de zaterdag uit te kijken naar een paar nieuwe sokken en das. De triestheid in kwestie accepteerde zijn lot en sjokte achter zijn eega aan. Verdwaast, berustend en in gedachten verzonken.

Ik probeerde die gedachten te doorgronden. Niet bewust van de ellende in de man zijn hoofd, bedacht ik me als manneke dat deze man zo ongelofelijk zielig was. Ik kon hem alleen met open mond aan blijven staren. Met dezelfde blik keek ik zijn kant op en bedacht dat hij zijn geld was vergeten of honger had. Het was de leegheid in zijn ogen. Ik kon me niet bedenken dat iemand zo triest kon zijn.

Vandaag deed ik bij de buurt super de boodschappen. Tijdens mijn survival tussen de koters en hun moeders sta ik peinzend in de kaasbak te kijken. In vertwijfeling tussen jonge en belegen beleef ik de dag in vogelvlucht. Morsig sta ik te kwijlen boven de kaas. Naast me staat een klein manneke naar me te kijken. Zijn ogen vangen mijn blik . Als ik naar hem lach zie ik hem opgelucht ademhalen. Met een grote grijns loop ik naar hem toe en geef hem een aai over zijn bol.

Roken is iets dat nog sporadisch in huize Haanappel wordt gedaan. Wanneer Oma, Raoul, Pantani of andere vrienden over de vloer komen staan ze al snel op het verbanningsveldje hun geneugten te doen. Dat was 4 jaar geleden wel wat anders. Ik was een steady draaier en kon vet genieten van mijn shaggie. Als roker heb je geen idee hoe dat je ruikt. Dat laatste sigaretje voor het slapen gaan, wegspoelen met een glas whisky, mmm heerlijk, maar als een caféschoorsteen kroop ik dan in bed. In de veronderstelling dat ik de meest erotische geur mee onder het dekbed nam. Achteraf  kan ik me indenken dat knuffelen met een stuk houtskool even opwindend is.
Ik werd er dit weekend toch even mee geconfronteerd. Toop vertelde aan tafel dat hij de nieuwe inval juf maar helemaal niks vindt. Waarom dan niet?
“Ze stinkt, vooral na de pauze. Dan komt ze de klas binnenlopen met zo’n rookdoosje. Dan stinkt ze overal. Haar handen, maar vooral uit haar mond en als ze dan naast me komt zitten moet ik mijn neus dichtknijpen”
Nu weet ik even niet wat meer meurt dan een ‘laatste sigaretje in de pauze’. Een collega die net een salami worst naar binnen heeft gewerkt, mijn briljante nerd die niet weet wat deo is (schone kleren; wat zijn dat?), of de overweldigende geur van slechte parfum in het bos.
Wat me vooral bijbleef van Toop zijn verhaal was het ‘rookdoosje’. Een bijzonder woord. Ik ben opgegroeid met de sigarendoos en pakjes sigaretten op tafel. Toch over een aantal generaties weten kinderen niet meer wat roken is. Net zoals de gulden en de telefoon met draaischijf of onbereikbaar zijn.

Vannacht ga ik dromen van kampvuur in de Ardennen. Ik kijk dromerig in de gloed van het vuur en draai een shaggie. Ik neem een teug uit mijn heupfles en realiseer me dat ik heerlijk onbereikbaar ben…….

Vanmiddag liet Toop me weten na het zien van enkele youtube filmpjes dat hij niet wil rugbyen.
De jongste Haanappel telg is niet zo sportief. Met zijn woorden “ik ben niet zo van sport”, had ik hem de opdracht gegeven eens te kijken naar wat sporten. Om er zeker van te zijn dat hij badminton niet verward met tennis en voetbal van hockey kan onderscheiden. Eigenlijk verbaast me dit te zeerste. Iedereen in huis is actief en doet dat individueel of in groepsverband. Het is alleen niet zijn ding. Ik wil hem niet pushen, maar na de vakantie ben ik hem toch een beetje aan het voorbereiden op een sportief bestaan. Omdat Rugby mijn ding is, heb ik hem enthousiast het spel via de digitale weg laten zien.
Ook heb ik in de vakantie een start gemaakt met een ander must do in de opvoeding; het lezen en zien van in de ban van de ring. Als je dan denkt aan orks,  kom je van zelf in Nieuw Zeeland terecht. Dus via de Haka, naar de mooiste try’s van de All Blacks .

Orks in de film maken blijkbaar minder indruk op hem dan het Rugby geweld. Hij vindt het maar niks. Wat heb ik mis gedaan?

De zomerse ochtenden in Beynac zijn van subtiele schoonheid. Het kasteel dat stoer boven de camping uitkijkt is gehuld in dichte nevelen. Door de  mist schijnt af en toe een zonnestraal die het landschap laat gloeien.
De camping ontwaakt. Ik verbaas me over de bejaarden. Ze komen ’s avonds met hun veel te grote campers het terrein op rijden. Rijden ze op een paar steunen, maar komen daarna hun voertuig niet meer uit. Als ik langs slenter zie ik ze binnen eten. Vraag me af wat hier de lol van is. Bram en Toop stonden gisteren nog verlekkerd te staren naar het enorme voertuig en zagen zich al helemaal door het Franse landschap zoeven. Mij niet gezien op die kleine weggetjes hier. Campers zijn voor de blauwe wegen van de Rand McNally.
Wanneer ik de poortjes van het zwembad open maak, zie ik in een hoekje onze vriend Jean Jupe staan. Hij is bezig met het pielen in een putje langs het bad. Hij heeft het verbodbordje voor roken en schoenen blijkbaar niet gezien, zijn bemodderde schoenen hebben sporen achter gelaten op de lichte tegels.
Zover mogelijk van hem vandaan glijd ik het water in en zwem mijn baantjes. Vanuit mijn ooghoeken hou ik hem in de gaten. Dat gaat niet wanneer ik een keerpunt moet maken. Hij is opgehouden met waar hij mee bezig is en ik zie hem duidelijk besluiteloos aan de rand van het water staan. Ik krijg het gevoel dat hij aan het wachten is tot ik klaar ben met mijn baantjes. Ik heb er net 10 opzitten en ik ga voor de 50 vandaag.
Na het keerpunt ben ik hem kwijt, maar heb heel sterk het gevoel dat er iemand naast me in het water is gekomen. Ik zie alleen helemaal niks. Ik zwem maar verder.
Als ik het volgende keerpunt heb gehad zie ik aan het einde van het bad twee witte billen boven het water uitsteken. Les fesses Blanc de monsieur Jean Jupe. Na 20 seconden komt Jean Jupe naar lucht happend naar boven. In zijn handen heeft hij een soort gereedschap.
Ik grijns naar hem, geschrokken duikt hij naar beneden en laat zijn witte billen weer zien.
Ik gil het uit van het lachen, het is zo’n komisch gezicht. Proestend verlaat ik het bad.

Op onze camping in het zonnige zuiden staat iedere ochtend een blauw autootje geparkeerd naast een mooie plataan.
Na wat spotwerk kom ik er achter dat het vehikel toe behoord aan de klusjesman monsieur Jean Jupe. Hij ziet er zo uit als zijn wagen; gebotst, gedeukt en versleten. Toch is Jean Jupe ergens begin veertig. Vlasjes grijs haar komen onder zijn baret vandaan en zijn aardbeien neus verteld het verhaal van een zeer goed Frans gebruik. Gebronsd snoeit hij de heg en met een Gitanes maïs bungelend in zijn rechter mondhoek stamelt hij een zacht bonjour in antwoord op onze groet.  Het naseizoen nadert en dat is te merken aan de bezigheden van Jean Jupe. De lege plekken worden niet meer opgevuld en dat geeft hem meer ruimte om met zijn maaitractor het terrein over te crossen. Al dagenlang horen we van ’s morgens tot ’s avonds het vrolijke geluid van de snoeier en maaier van onze vrolijke Franse vriend.
Om de Franse geneugten enigszins in te tomen en ook andere spieren te activeren dan de verwerkers van liflafjes, zwemmen we iedere ochtend baantjes in het mooie zwembad. Op onze slippers slenteren we langs bejaardencampers en jongegezinnencaravans. Voor deze laatste staan de nieuwbakken vaders en moeders met diepe wallen en chagrijnige koppen ons na te staren. Weer een nacht niet geslapen door jankende en krijsende koters. Leve het luchtbedje. Meestal hebben we het bad voor ons zelf en spartelen we in alle eenzaamheid enkele kilometers.
Deze morgen ben ik niet in het water, maar met de koters op stap naar de plaatselijke bakker en groenteboer. De purken zijn dit jaar onweerstaanbaar lekker. Terwijl Caat haar baantjes trekt doen wij ons te goed aan de eerste zak met fruit.
Wanneer we glimmend van het purkennat op onze gezichten de camping oplopen zien we het blauwe autootje van Jean Jupe. Behalve het ochtendritueel van krijsende baby’s missen we de snoei en maai geluiden. In bijna volmaakte ZEN toestand kijken we uit naar onze Franse vriend en luisterend naar de wat de zachte wind met zich mee voert.
In de verte hoor ik Caat gillen……….