Heel in de verte zie ik aan zijn houding dat hij het is. De contouren van zijn lichaam, de beweging van zijn armen, de motoriek van zijn handen.
Buiten is het koud. Koude winterse windvlagen die vochtig zijn van de natte sneeuw teisteren het gebouw. Met kracht 6 schieten zwarte wolken over Maastricht. Onder het afdakje staat hij, in zijn eentje. In zijn eentje diep weg gedoken in zijn oversized coat. Verkleumde blauwe vingers draaien een sigaretje, met moeite. Met moeite gaat de brand erin, de eerste zucht en een verslaafde glimlach siert zijn blauwe lippen. Een plastic bekertje met koffie verwarmen zijn handen. Ver weg gestopt van de toegang staat een grote asbak. Ver weg gestopt staat hij te roken, zijn pauze te verdoen in gedachten verzonken.
Heel in de verte zie ik hem staan. Terwijl een nieuwe vochtige met sneeuw bezwangerde  windvlaag zijn rook onder het afdakje voort blaast krijg ik medelijden met hem. De eenzame roker; verstokt en vergroeid met 10 centimeter genot, surviver; vast van plan zijn ding te blijven doen, maar eenzaam.