January 2008


silver-surfer.jpg

Als klein manneke had ik 1 droom, ik was nummer 5 van de fantastic 4. Stiekem onder mijn kussen bewaarde ik het gefrommelde blaadje. Ik koesterde mijn helden, vocht met de Hulk of tegen de lijm man. Ik voelde hoe spieren mijn pyama deden scheuren en als de zilveren surfer mijn bed gebruikte als plank. De geplakte sterren op het plafond waren mijn lichtbakens en de kamer het heelal waar ik ten strijde trok tegen het kwaad. Mijn helden….. Ontluisterend mis ik ze, hartverscheurend kan ik nog steeds janken met de wetenschap dat mijn moeder mijn helden heeft weggegooid, afgedaan, nutteloos de vergetelheid heeft in gestuurd.

Samen met Toop zit ik voor de zoveelste keer naar de incredibles te gapen. Met rode konen zie ik mijn nieuwe helden dezelfde huzaren stukjes uithalen.

’s Avonds bij het naar bed brengen kijkt Toop me aan.

“jij bent mijn held”

We kruisen de degens en knuffelen elkaar dood

De straten van Maastricht kleuren langzaam rood, geel en groen. De enorme bedrijvigheid kent een zenuwachtige trek naar de markt. Het Mooswief ontwaakt. In alle dynamiek van het stadse opent ze haar ogen tot kleine spleetjes. Langzaam, in een prachtige traditie. Maastricht maakt zich op voor drie dagen feest.

Op mijn netvlies staat de carnavals optocht in Groningen. Ik knipperde met mijn ogen en zag in mijn ooghoeken een bierdrinkende prins voorbij razen. Ik bleef nat in vertwijfeling achter, de prins bleek ziek. “Carnaval in’t Noorden, dat is een feest met pit”………

Al een week staat de carnavals doos op de overloop. Toop in zijn indianen pak, Roos is de heilige Maria en M. loopt zwart als een duivel rond. Ze hebben er zin in, het beloofd een fantastische vrijdagmiddag te worden.

Carnaval?

Ik trek me terug op het Franse platteland en maak weer de gang naar het bakkertje en zie hoe de Loire traag door oneindig laagland gaat. Hier staat het leven in de achteruit. De enige pit zit in het brood. 

Paul had gelijk.

Ik blaas wolkjes lucht, het westen krijgt een grillige rode kleur. Het licht is zacht en gedempt. Ik ren het dorp uit en verlaat de doorgaande weg. Ik hoor geen verkeer, ik luister naar het lawaai van mijn muziekkeuze. De bass en drums begeleiden mijn passen.Ik voel een week absentie, ik voel de druk op mijn spieren. Het zandpad ligt er verlaten bij. Een enkele kraai zweeft over de gerooide akker op zoek naar rottend voedsel. Het is bijna windstil in het dal. De eerste paar kilometers doen me pijn, ik verbijt me en probeer mijn gedachten te verzetten.

Een paar honderd verder zie ik een man staan. Hij staat met zijn rug naar me toe omhoog te kijken. Instinctief kijk ik mee. Als ik dichterbij kom  staren twee witte billen me aan. Half gehurkt en voorovergebogen doet een vrouw haar behoefte. Ik zwaai als ik voorbij ren.

“Ha juffie Phiel, pas maar op voor je blaas”

Beide schrikken zich rot, ik rol verder en voor ze kunnen reageren ben ik tussen de bomen verdwenen.

De lucht wordt roder met flarden zwart. Aan de andere kant van het dal kleurt de maan bloedrood. Wat een fantastisch moment, ik voel me heel nietig, maar zo verbonden met deze kloot. Is zo aards, eng, fantastisch, maar bijzonder.

In het schemerdonker ren ik een bospad naar beneden. De mist trekt op en blijft als een witte deken over de vlakte hangen. Beweegloos wordt de lucht vast gehouden. Rijp licht op de helling en de bomen worden door de nu witte maan spookachtig verlicht.

Plots voel ik warme lucht langs mijn gezicht stromen, alsof warme vingertoppen mijn gezicht aanraken. Tussen de mistflarden schijnen lichtjes. Ze wenken en willen me laten dwalen. Ik twijfel, ze betoveren me. Ik voel de drang om er aan toe te geven. 

Average man haalt me terug. In het dorp kijk ik achterom. Mijn nieuwjaarsgedachte dwaalt achter de lichtjes aan. Ik ren verder, verlicht door TL