July 2007


“Leugenaars”

?

“Jullie hebben gelogen, Teun heeft op de vakantie zelf gezegd dat hij niet bestaat”

“Teun heeft gelijk”

“Ik dacht dat jullie niet zouden liegen”

“Ehh….”

“Bestaat hij echt niet???????”

“Nee”

“En het biertje dat ik altijd voor Zwarte Piet klaar heb gezet”

“Dronk ik op”

“En de wortel?”

“Volgende dag aten we hutspot”

“Vind het helemaal niet leuk”

“Kom hier, krijg je een knuffel en dan mag je in de winter met ons meedoen om Toop voor de gek te houden”

……

Hoog zomer (!?), Roos komt naar beneden lopen. 

“Jullie liegen toch nooit?”

“Nee tuurlijk niet!”

“Anders kan ik het jullie niet vragen, bestaat Sinterklaas?”

“Ehh………ja hoor, Sinterklaas bestaat”

“Ok, dat is fijn. Ik wist wel dat jullie niet konden liegen”

(shit, shit, duizend bommen en granaten)

Middag groove, tijdens het koken met Miles, Stanley en Stan. Ik stond te swingen in mijn met vet besmette schort. De zon scheen door het keukenraam naar binnen. De focaccia met verse basilicum en marjolein lag na te dampen. De ruimte was zwanger van Italiaanse geuren.  Zijn van die momenten dat ik me volledig in mijn element voel.

Morgen is Toop jarig, hij moet goed eten en vooral zijn verjaardag vieren. Hij zal het wel op zoet houden, veel chocola. Van oor tot oor onder zitten. Hij is meer van coldplay met clocks. Samen zitten we met kippevel in een grote stoel stoer van de muziek te genieten. Vader en zoon, heel bijzonder……..

Ik zit me toch een partij op te vreten, al die kutjoekels die niet eens zonder bloeddoping een beetje door la douce kunnen fietsen. Echt die Deense kaas liegt dat ie barst. Die snapt er echt helemaal niks van. Er is er maar een die dat wel kan,  maar die valt tijdens zijn trip om indruk te maken voor allerlei vrouwen uit een palmboom. Hij mag van mij iedere dag nieuw bloed krijgen. Dat is pas een bikkel.

Trouwens roquefort is lekkerder. Ook dat is weer eens waar. Mijn vriend de slijter verkocht me vandaag voor een vermogen aan drank. In zijn ogen zag ik dat hij toe was aan vakantie. Ik vertelde hem van mijn wijn inkopen op een fantastisch plekje in de heuvels. Op de achtergrond de contouren van een kasteel. Een langzaam stromende beek met ijsvogels. Een markt voor honingraten, sirop, ronde geitenkazen en gouden wijn. Het lichtinval, de geuren en de stroperige schommeling van deze ambrozijn in het glas zorgden voor een smaak explosie in mijn mond. Terwijl ik orakel, zie ik zijn blik vervagen. Wat zou er in die man zijn hoofd omgaan denk ik, markt, handel, nieuwe wijnen. Met een bijna snik,   ”Nog 342 dagen wachten, dan mag ik weer” zegt hij en hij sloft naar de kassa, “dat is dan 65 euro”.

Wat is er toch met al die mensen? De een fiets de sterren van de hemel en de ander heeft de beste zaak van de stad. Allemaal zijn het sociaal emotionele sukkels.

Ik niet, ik drink ambrozijn. Mijn eigen doping. 

Iedere ochtend verbaas ik me over alle malloten op de weg en iedere ochtend is het spannend om op de fiets door de stad te rijden. Waneer ik niet naar mijn werk hoef, niet in pak en het niet uitmaakt dat de okselvlekken tot aan mijn enkels komen, vind ik het fantastisch om tussen die malloten en obstakels te laveren. Sterker nog, dan ben ik een van die andere malloten.

Ik zie hem al ver van te voren lopen, we gaan de zelfde kant op. Ik zie hem niet slingeren, verbaas me wel dat hij op het fietspad loopt. In de ongeveer 20 seconden die ik van hem verwijderd ben,  heb ik van deze man al een hele levensloop gemaakt. Geen bekende verschijning in de stad, maar omdat ik ’s morgens op de fiets toch niks te doen heb, ik ben in pak, nemen mijn gedachten me mee naar de krochten van het malloot zijn. Uiteindelijk heb ik van hem een Maasbootjunk gemaakt die al wandelend zijn trip beleefd. Al ik 1 seconde van hem verwijderd ben, maakt hij een onverwachte beweging. Ik moet uitwijken en op dat moment zie ik in zijn ogen dat zijn trip direct over is, ik ben zijn ergste nachtmerrie. Hij schrikt zich helemaal klem

Als ik 20 seconden later nog eens achterom kijk, staat hij bewegingsloos voor zich uit te staren. Hij mag blij zijn dat het vakantietijd is.

Op het werk merk ik dat mijn okselvlekken tot mijn knieen zijn gekomen. Valt weer mee.

Wat ben je lekker, wat smaak je goed. Ik huiver en voel kippevel over mijn hele lichaam. Je zilte smaak is weer vertrouwd. Nergens kan het zo heerlijk regenen als hier.

Is weer goed thuis te zijn.

Eigenlijk al weer veel te laat, maar ik zit suf naar de stromende regen te gapen. Wat een water, dikke druppels parelen op de vijver en laten van die dikke bellen achter. “Goed weer” zei mijn opa vroeger dan;  ”als er bellen op het water komen krijgen we goed weer”. Ik keek naar die grijze man en geloofde hem direct. Je moest hem wel geloven, wanneer opa sprak was dat waar.  Zijn hele lichaam sprak en ik voelde me heel erg klein. Ik hield mijn zonnebrilletje stevig in mijn knuisten.

 ”kijk eens liggende koeien”. “dan krijgen we goed weer” vertelde mijn moeder in de stromende regen. Ik geloofde dat, tenslotte had je moeder altijd gelijk. Mijn vader raakte dan zijn hechting van een eerdere hernia operatie aan en keek de andere kant op. Hij voelde nog meer water aan komen. Ik bekeek hem door mijn zonnebril en vond het raar dat ze ruzie kregen.

Ik pak voor de kinderen laarzen in, mijn soldaten schep voor het graven van geulen rond de tent en een paraplu. Ik voel me net zo’n malloot. Kamperen in de regen. Er is geen koe meer te bekennen in de wei, staan allemaal lekker binnen te herkauwen. Die boeren zijn slim, dadelijk zijn al die koeien verkouden. 

De hele week staan er al dikke bellen op de vijver en onder weg zien we geen koeien, maar ik vertrek met een zonnebril op mijn hoofd en ben eeuwig optimistisch!

Is wel te merken dat de vakantieperiode aangebroken is. Op mijn werk zijn de out of office reply’s meer regel dan uitzondering. Blijkbaar ben ik nog een van die laatste indianen die lopen te brullen en te buffelen in de organisatie. Niks meer is er te regelen, maar tijd om achterover te leunen is er niet meer. Nog twee dagen en dan mag ik. Een back up is er niet. Tijd voor pennalty’s, ze schieten maar.

Op zoek naar dat ene mooie plekje, dat ene plekje onder de sterren, de rust, de glooiende landerijen. Bloeiende velden met vele geuren en kleuren. Mijn plekje in de schaduw, weg gedoken onder een fruitboom met zacht zoemende insecten om me heen. Mijn plekje waarin ik onzichtbaar in op kan gaan, als onderdeel van het landschap.

Op zoek naar dat ene mooie plekje, mijn domein, een nieuw leven.  La douce France

Nog een paar dagen

Vanmorgen lekker recalcitrant geweest en over het wielerparcour hard gelopen. Achter ons probeerden de suppoosten in het roze gekleed met vlaggetjes en fluitjes ons te in te halen. Heel wieler minnend Limburg spreekt van schande. Ik ben me van geen kwaad bewust. Er was nog niet eens een wedstrijd?! Die domme mannetjes konden ons mooi niet in halen en voordat ze de gemotoriseerde politie erbij gingen halen sprinten we de bossen in. Tja, die wielerwedstrijd kwam zo’n beetje langs ons huis. Die domme mannetjes die langs de weg staan in het roze, met vlaggetje en fluitje komen eigenlijk rechtstreeks uit een van de sociale werkplaatsen. Voor de tweede keer van dit jaar mogen ze zwaaien en fluiten. De eerste keer is altijd met hun verjaardag. Het meest genieten ze van hun macht om mensen tegen te houden. Stoer worden meiden die willen oversteken gesommeerd om te wachten. Met de vlag voor hun kruis en het fluitje geil in hun mond voelen ze zich een hele vent. ‘Gaat ie lekker met je roze pakkie aan, grote vent hoor”.  Enfin, lopen kunnen ze niet en ik had vandaag adem. Ik voelde me een hele vent en denderde door de bossen. Watermans was er nietbij, samen met Rik besprak ik het ultieme en de kick,  18 km en niet opgeven. We gaan grootse dingen doen. Boeren in Frankrijk, hij als herder en ik introduceer mijn eigen lijn; eau de vie, stroop, cider, wijn, jam…..

Toop gaat mee, alleen voor de tractor

Op de terugweg lopen we nog even langs de roze mannetjes, maar ze hebben het te druk met zwaaien en fluiten. Pffff wat een arm leven.