vakantie


In de kerk hangt nog de geur van een bewierookte mis. Hier heeft de pastoor over hel en verdoemenis gepredikt. Gespierde taal in een kleine gemeenschap, waar zonden door een hogere macht in beweging gezet worden. De gemeenschap weert zich tegen de wolf door bloed en brood tot zich te nemen. De herder reikt het uit. Zijn bestraffende woorden dragen de toornende troost voor het berouwvolle volk.

Langzaam loop ik door het middenschip naar de zijbeuken. Ik ben niet gelovig, ik geloof niet in een god. Toch bezoek ik graag een kerk. De hole stilte, iedere voetstap die echoot door het schip en nagalmt tot achter het altaar. In dit gebouw overheerst echter de soberheid.  Het interieur van deze kerk staat haaks op de roomse overdaad. Ik voel kilte en verstikkende rust. Het waart als een geest rond. Ik voel me niet welkom. Ik zie het aan ‘het lijden’. Het wordt op een gruwelijke wijze afgebeeld. Als vertellend stripverhaal hangt het aan de muur. Er gaat een waarschuwing vanuit. De uitstraling van angst.Ik sluit de zware deur achter me en stap terug in de grijsheid van de dag. De donkere dreiging van de natuur vind ik minder triest dan de bedomptheid van binnen.

De eerste vlokken vallen, het zal niet meer ophouden.

Inmiddels worden we in het dorp een attractie. Achter de vitrages worden we in de gaten gehouden. Wanneer we voorbij lopen voel ik vreemde ogen in mijn rug priemen. Zoals in de meeste Ardense dorpen speelt het leven zich binnenshuis af. In de winter maanden zie je bijna niemand op straat. Een toevallige passant, die zijn hond uitlaat, mompelt iets terug op onze welgemeende groet. Hier is de vergrijzing een feit. Nergens kinderen te bekennen. Geen vrolijkheid. De huizen hebben kleine ramen, dikke muren.

De beslotenheid van het naar binnengekeerd zijn, de beslotenheid van een gemeenschap. De grijsheid van het bestaan.

 

Ik zit in een Ardense keuken Condroz bier te drinken. Het is in de plaatselijke brouwerij gebrouwen. Dit fantastische geurige amber bier heeft een intense smaak en kleurt de winterdag.

Ik denk terug aan de valentijnse zondag die zonder vruchtbaarheidsfeest aan me voorbij is gegaan. Daarentegen zie ik Waalse mannen met grote bossen bloemen hun minnares opzoeken. Ik verdenk dat er ook een heleboel moeders bij zitten. Wellicht is de Waal niet kieskeurig en combineert hij drie in een; moeder - vrouw en minnares. De man die met een bos bloemen het huis tegenover mij in gaat,  kijkt over zijn schouder of niemand hem spot. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik knik. Een glimlach tekent zijn gezicht voor hij de deur achter zich dicht trekt. Vruchtbaarheidsriten zijn ook in deze contreien gecommercialiseerd, de fleurist in het lendende dorp is een rijk man.

Wanneer een gedeelte van het dorp de kerkdienst bij woont,  loop ik bij de slager binnen. Achter een hakblok staat een kleine gedrongen man. Zijn witte jas is besmeurd met vette vegen en bloed.  Met krachtige korte armen hanteert hij een groot hakmes en laat het na mijn ‘besjoer ‘ hard neer komen op een varkenspoot. De poot wordt door zijn kracht in tweeën gebroken. Twee varkensogen kijken me aan. De moorddadige blik in zijn ogen doet me denken aan de sublimatie theorieën van Freud.  Ik geloof dan ook niet dat deze slager een gelovig man is. Achter in de zaak ontdek ik een rondborstige pin-up. In een geile pose valt ze niet eens op tussen de naakte hammen. Op de een of andere manier schokt het me niet eens. In dit dorp vind ik de rauwe rudimenten van het Ardense platteland terug. De enorme afgelegenheid en de  beslotenheid van deze gemeenschap proef ik terug in de specialiteiten. Ik wijs een rosbief aan die aan een haak hangt. In weinig woorden maakt hij duidelijk dat het vlees al ‘vendu’ is. Dan maar iets anders en even later verlaat ik de slagerij met een entrecote van een kilo.

Ik lijk me geheel aan te passen.

De zomerse ochtenden in Beynac zijn van subtiele schoonheid. Het kasteel dat stoer boven de camping uitkijkt is gehuld in dichte nevelen. Door de  mist schijnt af en toe een zonnestraal die het landschap laat gloeien.
De camping ontwaakt. Ik verbaas me over de bejaarden. Ze komen ’s avonds met hun veel te grote campers het terrein op rijden. Rijden ze op een paar steunen, maar komen daarna hun voertuig niet meer uit. Als ik langs slenter zie ik ze binnen eten. Vraag me af wat hier de lol van is. Bram en Toop stonden gisteren nog verlekkerd te staren naar het enorme voertuig en zagen zich al helemaal door het Franse landschap zoeven. Mij niet gezien op die kleine weggetjes hier. Campers zijn voor de blauwe wegen van de Rand McNally.
Wanneer ik de poortjes van het zwembad open maak, zie ik in een hoekje onze vriend Jean Jupe staan. Hij is bezig met het pielen in een putje langs het bad. Hij heeft het verbodbordje voor roken en schoenen blijkbaar niet gezien, zijn bemodderde schoenen hebben sporen achter gelaten op de lichte tegels.
Zover mogelijk van hem vandaan glijd ik het water in en zwem mijn baantjes. Vanuit mijn ooghoeken hou ik hem in de gaten. Dat gaat niet wanneer ik een keerpunt moet maken. Hij is opgehouden met waar hij mee bezig is en ik zie hem duidelijk besluiteloos aan de rand van het water staan. Ik krijg het gevoel dat hij aan het wachten is tot ik klaar ben met mijn baantjes. Ik heb er net 10 opzitten en ik ga voor de 50 vandaag.
Na het keerpunt ben ik hem kwijt, maar heb heel sterk het gevoel dat er iemand naast me in het water is gekomen. Ik zie alleen helemaal niks. Ik zwem maar verder.
Als ik het volgende keerpunt heb gehad zie ik aan het einde van het bad twee witte billen boven het water uitsteken. Les fesses Blanc de monsieur Jean Jupe. Na 20 seconden komt Jean Jupe naar lucht happend naar boven. In zijn handen heeft hij een soort gereedschap.
Ik grijns naar hem, geschrokken duikt hij naar beneden en laat zijn witte billen weer zien.
Ik gil het uit van het lachen, het is zo’n komisch gezicht. Proestend verlaat ik het bad.

Op onze camping in het zonnige zuiden staat iedere ochtend een blauw autootje geparkeerd naast een mooie plataan.
Na wat spotwerk kom ik er achter dat het vehikel toe behoord aan de klusjesman monsieur Jean Jupe. Hij ziet er zo uit als zijn wagen; gebotst, gedeukt en versleten. Toch is Jean Jupe ergens begin veertig. Vlasjes grijs haar komen onder zijn baret vandaan en zijn aardbeien neus verteld het verhaal van een zeer goed Frans gebruik. Gebronsd snoeit hij de heg en met een Gitanes maïs bungelend in zijn rechter mondhoek stamelt hij een zacht bonjour in antwoord op onze groet.  Het naseizoen nadert en dat is te merken aan de bezigheden van Jean Jupe. De lege plekken worden niet meer opgevuld en dat geeft hem meer ruimte om met zijn maaitractor het terrein over te crossen. Al dagenlang horen we van ’s morgens tot ’s avonds het vrolijke geluid van de snoeier en maaier van onze vrolijke Franse vriend.
Om de Franse geneugten enigszins in te tomen en ook andere spieren te activeren dan de verwerkers van liflafjes, zwemmen we iedere ochtend baantjes in het mooie zwembad. Op onze slippers slenteren we langs bejaardencampers en jongegezinnencaravans. Voor deze laatste staan de nieuwbakken vaders en moeders met diepe wallen en chagrijnige koppen ons na te staren. Weer een nacht niet geslapen door jankende en krijsende koters. Leve het luchtbedje. Meestal hebben we het bad voor ons zelf en spartelen we in alle eenzaamheid enkele kilometers.
Deze morgen ben ik niet in het water, maar met de koters op stap naar de plaatselijke bakker en groenteboer. De purken zijn dit jaar onweerstaanbaar lekker. Terwijl Caat haar baantjes trekt doen wij ons te goed aan de eerste zak met fruit.
Wanneer we glimmend van het purkennat op onze gezichten de camping oplopen zien we het blauwe autootje van Jean Jupe. Behalve het ochtendritueel van krijsende baby’s missen we de snoei en maai geluiden. In bijna volmaakte ZEN toestand kijken we uit naar onze Franse vriend en luisterend naar de wat de zachte wind met zich mee voert.
In de verte hoor ik Caat gillen……….

Aan de rand van het zwembad sluit ik loom mijn ogen. De schaduw van een grote plataan, waar ik onder lig, beschermt me tegen overvloedige blootstelling aan UV-stralen.
Ik hou niet zo van insmeren. Deze fijne karakter eigenschap heeft me menig pijnlijke en ongemakkelijke verbrandingen bezorgd. Opgegroeid in onwetenheid blijf ik volharden in die verschrikkelijke ontkenning, terwijl de ratio allerlei signalen uitzend en juist het tegendeel laat zien. Zelfs wanneer mijn kinderen mij aankijken en met hun basisschool en klokhuis kennis roepen dat ik een sukkel ben, blijf ik onberoerd alle toeters en bellen negeren.

Er werd vroeger in het ouderlijkhuis alleen gesmeerd als het te laat was. Dan haalde mijn moeder vanuit een geheime plek in de caravan een groot geel en rond blik tevoorschijn. De zalf werd royaal op de pijnlijke plekken gesmeerd. Na deze behandeling glom ik en plakte mijn kleren aan mijn lijf.

Een keer heb ik een boer dit spul zien gebruiken, waarvoor het eigenlijk bedoeld is. Met zijn grote ruwe handen nam hij na het melken een ferme lik uit de pot en smeerde daar de uiers van de koe mee in. Met alle zachtheid masseerde hij de spenen. Ik meende later een vleug erotiek te zien, maar was te jong om dit echt te begrijpen. Ik herkende alleen het grote gele ronde blik.

Ik ben er groot mee geworden. Ik ben later de de zalf als wondermiddel gaan zien; tegen puistjes, hanekammen, wintervoeten, lentetenen, zomerkloven en herfstdepressies. Voor een wedstrijd rugby smeerde ik mijn hele hoofd ermee in. Dat schoof lekker in de scrum. 

En vacance; ergens in de tent heb ik een groot geel rond blik verstopt. De koters gruwelen. Mijn knuffelindex keldert naar 0 waardes, het meurt en ik word de tent uit gebonsjoerd. Dat is weer een nacht in de hangmat, maar goed dat die zalf vliegwerend is!

Zwoegend, rochelend doe ik 1 rondje. De ommegang duurde met rek & strek 25 minuten.  25 lange minuten waar ik rose en vele spijzen verdamp. De maaltijd, weggespoeld met flessen rose, na een dag auto, waren een verademing en een zeer welkome afwisseling na de onder me wegschietende franse wegdekstrepen.

In de zachte zonsondergang krijgt het gehele landschap de glans waarom ik op vakantie ben. Het uitzicht op het meer is adembenemend. Het meer, neem ik me tijdens het eten voor, doe ik morgen rennend. Ik laaf me aan de bourgondische spijzen en laat de ambrozijnen rijkelijk vloeien.

De bourgogne heeft heerlijke rose, deze is vol en fruitig. Je proeft rood fruit zonder zoet te worden. We maken de vergelijking met de provenciaalse rose die we de afgelopen week gedronken hebben. Net terug uit de provence is het verschil duidelijk. Heerlijk rozig zijn we het met elkaar eens.

Caat zegt;  ‘alles in de bourgogne is vol en rond, het klimaat matig met veel zon en neerslag. In de provence schijnt de zon overvloedig, maar zijn de omstandigheden extreem. De wijnranken vechten om iedere druppel mediterane regen en verliezen hierdoor veel van hun volheid’.

Ik knik en denk dat ik het begrijp, neem nog een slok en sluit mijn ogen. Ik proef de bourgogne, vol en rond. Droom voor me uit en kijk naar het magistrale  uitzicht. Het meer , rimpelloos, kleurt langzaam rose door de ondergaande zon.

De volgende ochtend vervloek ik die smaak, de gretigheid en de roze kleur. in mijn hoofd stampen michelinmannetjes mee met iedere stap die ik versneld probeer te nemen.

25 lange minuten rond het meer. De muziek op mijn oren slepen me voort. Het meer, waar nu de schuimkoppen op staan, grijnst meedogenloos. Ik haal het…… 

Met uitzicht op het water zit ik voor mijn tent, zweet en puf na

Een volle ronde 50+ dame in het roze begint aan haar tweede ronde. Ik kijk haar na en vraag me af of de provenciaalse toch niet lekkerder is.