echte mannen


“…there is no greater joy than to have an endlessly changing horizon, for each day to have a new and different sun.”

― Christopher McCandless

Het vuur is nog aan het smeulen, de nacht was vol dronken jagers. Paul en ik renden gekleed in fluoriserende jasjes achter everzwijnen aan, opgejaagd door mannen in het groen.  Ieder zijn droom. Ik ben wakker.

uitzicht-grot.JPG

De zon is nog niet zichtbaar. Ze wordt onttrokken aan de heuvel tegenover ons, maar het  beloofd een mooie dag te worden. De druilerige Ardense regen heeft plaats gemaakt voor een zachte wind. Ongelofelijke warmte voor eind oktober. De zachte wind zal ons de heuvels opduwen. We fietsen naar het dak van België.

De kleurpracht is geweldig, de bossen lijken in brand te staan, verschillende vlammend getinte bladeren dwarrelen  voor ons uit. Het bospad dat we gisteren gemist hebben is door het vallend blad onzichtbaar geworden. Op gevoel rijden we het bos uit. De navigatie stuurt ons richting Malmedy. De route is auto-luw. We passeren vergeten dorpjes, slapend in de ochtend zon. Na een aantal kilometers krijgen we de eerste heuvel. Gestaag klimmen we omhoog en genieten van het uitzicht. Hellingen wisselen hier snel. Ik voel de vermoeidheid in mijn benen.  We stoppen regelmatig en lunchen met worst, mergpijpjes en snickers.

lunch-worst.JPG

Tot onze verbazing ligt er een 15 km vlak fietspad tussen Trois-Ponts en Malmedy. Waar vroeger een spoorlijn lag, is in navolging van de Duitse Vennbahn , rails en bielzen door asfalt vervangen. Over dit valsplat fietsen we naar de Hoge Venen. Het heeft iets surrealistisch, vooral als we door een aantal spoortunnels rijden. Het is een welkome afwisseling , de echte kuitenbijters moeten nog komen.

spoortunnel.PNG

Na Malmedy gaan we alleen maar omhoog. Het landschap verandert, roestbruin water schuimt tussen stukken hoogveen. Ik kan alleen maar denken aan dat schuimende glas bier.

De zon staat al laag als we na een dikke duizend hoogtemeters stoppen. Een struise Waalse tapt twee la Chouffe voor ons. We proosten op een mooie tocht. De hoogtecentimeters in mijn glas slinken snel; dorst. Nog een glas, mooie verhalen en een selfie.

selfie-chouffe.JPG

Met bier in onze benen, fietsen we moeizaam de laatste helling op. In de beslotenheid van het bos, naast een snelstromende beek, zijn het de verhalen die me bijblijven. De zon is inmiddels onder, het vuur brandt, een heldere nacht vol sterren. De worstjes sissen, wat wil je nog meer?

HAPPINESS [is] ONLY REAL WHEN SHARED”

― Jon Krakauer, Into the Wild

Op vrijdagochtend stap ik op de fiets, tassen gepakt, gevuld met snickers en sigaretten. Bier en whisky haal ik onderweg, zorg voor later.  De bijl is geslepen, banden opgepompt en mijn lief een kus gegeven.

Paul is vol energie en staat al buiten de poort op me te wachten. Ik ben gejaagd en stel het moment van vertrek zo lang mogelijk uit.

Denk te weinig aan mezelf en te veel aan anderen. Verwacht dat zonder mij de operatie niet werkt, incidenten niet worden opgevolgd. Ik doe hier mee mijn directe collega’s onrecht aan. Zij kunnen het wel, zit in mij om die ‘knop’ om te draaien. Het is de afgelopen maanden erg druk, veel aan mijn hoofd en hoog stress niveau. Weken van 80 uur zijn eerder regel dan uitzondering. Toch heb ik een lang weekend gepland om de bossen in te gaan. Loslaten van verantwoordelijkheden en genieten van de tocht.

De trage loop van de Maas is onze weg naar de Ardennen. De duidelijke overgang naar het Waalse land, zodra we de grens overgaan, is zichtbaar. Industrie terreinen en verloren land. De landsgrens is mijn scheidslijn om de stress achter me te laten. Bij iedere omwenteling valt de druk van me af en kan ik ontspannen, genieten van het landschap en lachend fietsen we Luik binnen.

De schoolkinderen hier hebben sportdag. In grote groepen rennen ze door het park en langs onze route door de stad, wijzen ons na; twee grote kerels op volgepakte fietsen, in de druilerige Waalse motregen. De poort van de Ardennen.

We volgen de Ourthe, door de regenval van de afgelopen dagen is deze woest. Het landschap verandert, industrie maakt plaats voor steile hellingen en bossen. Geur van haardvuren en rottend blad, aardse geuren.

We eten friet tussen jagers. Voor de deur staan mpv’s, binnen zitten een paar dozijn in het groen geklede kerels. Borden, opgediend met duimdikke, met saus overgoten, stukken everzwijn, worden verslonden. Het ziet eruit als een bacchanaal, rode gezichten door wijn; de jacht is in volle gang. Deze mannen gaan straks gevoed en gelaafd het bos in. We trekken alvast onze gekleurde reflecterende jasjes aan. Beter als clown de bossen in trekken, dan een schot hagel in mijn kont door een dronken jager.

Vlakbij de grot, raak ik het spoor bijster en verdwalen. Het bospad loopt dood. Gejaagd klunen we door bramenstruiken en slepen onze fietsen steile hellingen op. In de schemering en drijfnat, van inspanning zijn we eindelijk op onze bivak. Een half uur later brandt het kampvuur. Grillige schaduwen reflecteren op de rotswand. Stilletjes hopen we op everzwijn, opgejaagd door de drijfjacht. De worstjes voldoen. We trekken nog een biertje open. In de verte horen we dat er gejaagd wordt. In de beslotenheid van het vuur voelen we ons veilig. Twee kerels in een donker woud, met mooie verhalen om te delen.

kampvuur-grot.JPG

De bel gaat. Ik word opgeschrikt uit mijn overpeinzingen.

Denise en ik, zijn net in het dorp komen wonen en daardoor is er nog niet zoveel aanloop. Langzaam sta ik op van de bank en slof in gedachten naar de voordeur. We hebben een kijkgaatje in de deur, maar als ik er door heen kijk, zie ik niemand staan.

Als ik de deur open maak, staat er een onooglijk oud kereltje op de stoep.

Ik zie drie stompjes tanden in zijn mond staan. Een peuk kleeft aan zijn onderlip als hij praat. Hij heeft een grijze stoffen overjas aan en staat op klompen. Als hij een puntmuts op had, zou hij zo uit de voortuin weg gelopen kunnen zijn. In onverstaanbaar dialect  vraagt hij iets. Ik versta alleen ‘aardappels’. Aha, de aardappelboer van het dorp.

Ik koop nooit aan de deur, maar deze oude man heeft iets onschuldigs. Ik kijk hem nog eens goed aan, terwijl ik de overweging maak om tot kopen over te gaan. Niet het ontbreken van tanden trekt mijn aandacht, maar zijn enorme handen. Zo klein als hij is, zo groots zijn z’n handen. Deze handen kunnen in eens een rauwe aardappel pureren. Grote donkere nagels, als of hij net geoogst heeft.

Twee guitige ogen volgen mijn blik en hij steekt zijn enorme hand uit. “Sjarrel”, versta ik en ik pak de hand. “Bram, hallo Sjarrel. Ik neem een zak”. Mijn hand wordt ontsloten door zijn enorme knuist. Ik voel zijn hand samenknijpen en vrees voor het breken van die van mij. Terugtrekken is geen optie, ondanks zijn 2 turven hoogte.

“Walnoten bij?”

“Ja, doe maar een zakje” stamel ik. Ik ben blij als hij de greep laat verslappen en ik die van mijn kan terug trekken.

Sjarrel sjokt naar zijn tractor en haalt achter de laadklep de zakken tevoorschijn.

“Tot volgende week”, zegt hij, als ik afgerekend heb.

Dat dacht ik niet, volgende week blijven de gordijnen dicht, wordt er niet gereageerd op de bel en de eerste jaren wordt er geen lord of the rings meer gekeken.

To a haggis…….

Afgelopen zaterdag zou ik een Burns supper krijgen. Een avond vol Schotse heroïek met liederen, poëzie en kookkunst.  In de weken  daar voor had ik al het genoegen de verhalen aan te horen van mijn Schotse collega’s. Het doornemen van Schotse kookboeken ontlokten hen, ver weg van hun geboortegrond, vele ‘jummy’s ‘en ‘thats real good food Bram!’Ze beleefden weer hun eigen jeugd. Het is een sobere keuken, met vooral stovies en claphots. Waarschijnlijk doe ik ze nu erg tekort, ik heb het helaas niet kunnen proeven!

Sinds begin December sloop ik mijn lichaam en negeer ik de signalen; roofbouw plegen en maar doorgaan met hoesten. Waar anderen zich verbazen en ergeren, haal ik mijn schouders op en bedenk me, dat ik dit altijd al zo gedaan heb: hoesten doe je tot het moment dat je moet stoppen, omdat je moet kokhalzen.

Een verschrikkelijke droge kuch die maar blijft irriteren zolang je blijft hoesten. Zo ging het vroeger en 1 keer in de zoveel jaar komt dat terug. Nu drijft ie mij al bijna een maand tot waanzin.

Met dit weerzinwekkende geblaf verstoor ik niet alleen de slaap van mijn gezin, ook irriteer ik de concentratie van mijn collega’s. Vrijuit deel ik in lichaamssappen en storend geluid. Ik ben een levend bewijs voor bron van infectie en ben daarin erg succesvol. Veel van ze nemen mijn storende geluiden en gesnotter over. Ik ben niet alleen captainrodeonopvallendeboerenzakdoek meer. We maken veel geluid samen. Tot nu toe was er een groot verschil. Ik bleef komen, terwijl anderen afhaakten. Een combinatie van loyaliteit, maar vooral een kinderlijke naïviteit van hoogwaan; ik was immers altijd sterk genoeg en niet ziek genoeg om thuis te blijven.

Ik sloot mijn ogen voor de realiteit. In die naïviteit rende ik nog iedere week mijn rondje van 15 km, waarna ik kinkhoestend een half uur thuis moest bijkomen. Stond  ’s ochtends om half 7 voor het werk al aan de gewichten te trekken alsof ik een kerel van 25 zou zijn.

Verdomme ik ben 45 en heb niet meer de flexibiliteit van jonge vent. De weigering dit te erkennen bezorgd me het ziekbed. Geveld door griep, passed out.

Geen Burns supper gehad, zwaar klote

 

Vriend Elrado. houdt er soms bijzondere opvattingen op na. De bevergids ligt deze week weer op de mat, de winter editie. Plaatjes kijken in het outdoor segment. Stil genieten van de bijna momenten in de sneeuw, sleeën op plekken waar niemand komt, met je houten nap astronautenvoer naar binnen lepelen en het niet koud krijgen door alle laminaten op je lijf. Weg dommelen op de wc, het plekje waar het kleinood nog veilig voor vrouw en koters is en koude ontberingen ondergaan, bij het zien van stoere dingen. Tot zover ga ik mee. Immers, het SAS boek is lange tijd mijn compagnon geweest in het smeden van snode plannen en de dubbele uitgave van de groene tocht blijft mij plagen en achtervolgen. Maar betitelen als porno; nee.  Je reinste porno twitterd hij.
Wanneer vrienden verlekkerd naar de bevergids gaan staren en deze als zeer opwindend ervaren ga ik me toch afvragen wat er aan de hand is. De poreuze cirkel komt dan in me op, of zal hij de Amerikaanse tegenhanger, de beaver gide bedoelen?


Roken is iets dat nog sporadisch in huize Haanappel wordt gedaan. Wanneer Oma, Raoul, Pantani of andere vrienden over de vloer komen staan ze al snel op het verbanningsveldje hun geneugten te doen. Dat was 4 jaar geleden wel wat anders. Ik was een steady draaier en kon vet genieten van mijn shaggie. Als roker heb je geen idee hoe dat je ruikt. Dat laatste sigaretje voor het slapen gaan, wegspoelen met een glas whisky, mmm heerlijk, maar als een caféschoorsteen kroop ik dan in bed. In de veronderstelling dat ik de meest erotische geur mee onder het dekbed nam. Achteraf  kan ik me indenken dat knuffelen met een stuk houtskool even opwindend is.
Ik werd er dit weekend toch even mee geconfronteerd. Toop vertelde aan tafel dat hij de nieuwe inval juf maar helemaal niks vindt. Waarom dan niet?
“Ze stinkt, vooral na de pauze. Dan komt ze de klas binnenlopen met zo’n rookdoosje. Dan stinkt ze overal. Haar handen, maar vooral uit haar mond en als ze dan naast me komt zitten moet ik mijn neus dichtknijpen”
Nu weet ik even niet wat meer meurt dan een ‘laatste sigaretje in de pauze’. Een collega die net een salami worst naar binnen heeft gewerkt, mijn briljante nerd die niet weet wat deo is (schone kleren; wat zijn dat?), of de overweldigende geur van slechte parfum in het bos.
Wat me vooral bijbleef van Toop zijn verhaal was het ‘rookdoosje’. Een bijzonder woord. Ik ben opgegroeid met de sigarendoos en pakjes sigaretten op tafel. Toch over een aantal generaties weten kinderen niet meer wat roken is. Net zoals de gulden en de telefoon met draaischijf of onbereikbaar zijn.

Vannacht ga ik dromen van kampvuur in de Ardennen. Ik kijk dromerig in de gloed van het vuur en draai een shaggie. Ik neem een teug uit mijn heupfles en realiseer me dat ik heerlijk onbereikbaar ben…….

Er wordt wel eens geroepen dat kerels een beperkt blikveld hebben. Die dat roepen zijn vaak vrouwen.  Een enkele kerel houdt vast dat hij ook een beperkt blikveld heeft. Dat is geen kerel, dat is een leugenaar.

Mijn wijdse blik omarmt al mijn geneugtes en dat zijn er vele. Voor die geneugtes leef ik. Is heerlijk om je omgeving te begrijpen, te beschermen, te koesteren en lief te hebben. Nog tien dagen en de beperktheid voor een weekend is een feit. Dan heb ik mijn vrienden lief in een andere omgeving, ongecompliceerd, wars van drama en pietluttigheid. Zetten we allemaal voor een moment de oogkleppen op en drijven we ons voort op pure kracht.

Wat een enorm gezeur, lijk wel een….

Nog 10 dagen

Nog 11 dagen en we gaan Ardennen in. 8 kerels, getraind, dan wel zwaar ongetraind.  8 echte mannen die koters en eega durven te verlaten voor een titanen strijd.  Een innerlijke strijd die iedereen op zijn eigen manier zal gaan voeren.

De verwachting is dat de eerste tranen aan het eind van de straat worden geplengd. Zoute droppels die het rauwe houthakkersvest bevlekken. Denken aan de goede jaren en de onzekerheid in het verschiet. Over met de bourgondische gedachte, het hoge Jamie gehalte en de zachte boxsprings. Weg met de knuffels, lieve briefjes en het koffiekransje.

Ze komen als echte mannen terug, maar dat weten ze nog niet.

Wordt vervolgd

Langzaam kom ik in vorm, klaar voor de grote ontmoediging. De ontmoediging zal een ware slijtage gaan worden, maar ben er klaar voor.

Vorig jaar mochten we even aan elkaar ruiken,  op z’n hondjes was ik degene die naar zijn gat mocht kijken. Lachend keek hij af en toe achterom. In zijn flitsend en glimmend pakje danste hij naar boven. De pedalen kraakten en van frustratie verviel mijn oude bike in de contra beweging. Iedere tred naar beneden was niet een duw voorwaarts,  maar een beproeving van de zwaartekracht. Ik wilde mijn krachten niet verdelen, ik werd gedwongen door de harmonica werking. Het koste me twee keer zoveel energie.

Smalend schreef hij over te vroeg pieken. Ik ben gelukkig geen olympier, of medaille pretendent. Wel zal ik je ergste nachtmerrie zijn in de Ardennen.

Bezweet schrik ik wakker. Iets in het verhaal klopt niet. Ik kom er niet achter wat het is. Uren lig ik te peinzen en te draaien. Pas tegen het ochtendlicht vallen mijn ogen dicht; ik heb geen bike meer.

Mazzel

In het winkelcentrum sta ik geheel in gedachten te wachten op mijn Vietnamese loempiaatjes.

Na de boodschappen en het verlaten van de supermarkt keek ik naar het nieuwe koffiehuis.
De Chinese eigenaar heeft zijn inboedel in de ban gedaan en een doorsnee koffiehuis interieur geplaatst. Tot mijn verbazing zaten er die middag veel mensen te schuilen tegen de druilerige regen.  Waar de wok eens siste, sist nu het espresso-apparaat. Door de grote ramen zie ik wijkbewoners, leutend naar het winkelend publiek kijken.

Ik moet heel erg wennen aan dit beeld. Jarenlang hebben we boven de chinees gewoond, jarenlang exotische gerechten gesnoven. Nu China ‘hot’ is en vooral in, besluit hij over te stappen naar een nieuw bestaan, zonder draken. Het roer om, de lotus is vervangen door het koffielepeltje.
Berustend in deze verandering kijk ik naar de lachende Vietnamese dame. Als ik wil betalen, word ik van achteren op mijn schouders getikt. Ik draai me om en kijk recht in de ogen van Manuel

“Ik ben getrouwd” Manuel steekt zijn linker ringvinger onder mijn neus en toont een gouden ring, “en zit nu met mijn vrouw bij de Chinees koffie te drinken”

Ik slik en staar naar de boomlange ex-pupil. Ik stamel proficiat en reken af bij de Vietnamese dame die inmiddels een glimlach van oor tot oor heeft. Ze ziet me lijden. Ik probeer me ondertussen een voorstelling  te maken van zijn vrouw.

“Ik werk ook niet meer!”

Bijna wil ik proficiat zeggen, maar bedenk me en vraag:   “…. en nu?”

“Ik wil weer op de kermis werken, maar dat mag ik niet van mijn vrouw!”

Ik krijg een vette knipoog van hem, twee ratteoogjes schitteren zwart naar me.

“dan ben ik te veel weg en denkt ze dat ik naar de hoeren ga”

Ook nu ligt ‘proficiat’ op mijn tong.

“Weet je nog dat ik zo bang van spuiten was?”

Hij opent zijn gaper en ik staar in een groot gat met rotte tanden. In het midden ligt een witte zeemlerenlap met een metalen clitoris.

“Kijk eens, heb ik na mijn trouwen laten zetten”

Ik kan alleen proficiat zeggen. Met een vette knipoog loopt hij quasi macho naar de Chinees. Ik kijk hem na.

De Vietnamese dame geeft me een ook vette knipoog.

“proficiat………….. sambal bij?”

Next Page »