hoe overleef ik mijn kinderen


Op mijn 8e begon ik belangstelling te krijgen voor het koken. Onder de armen van mijn moeder door keek ik naar het snijwerk en de pruttelende pannen. Vrij snel daarna bakte ik mijn eerste ei. “Handig” vond mijn pa; “voor als je straks op kamers zit”.  Dat laatste begreep ik niet, maar het klonk toen als een compliment.
De jaren daarna had ik een haat/liefde verhouding met de gerechten die ik voorgeschoteld kreeg. Ik beleefde het eten als kind met in ontwikkeling zijnde smaak papillen. Lekker of niet te nassen. Mijn vader kookte nooit, hij deed zoals iedere man in de zomer met veel vertoon zijn BBQ kunstje. “grote stukken vlees bereiden is mannenwerk”. Later begreep ik zijn woordspeling pas, maar ik stond wel altijd naast hem te kijken terwijl hij het vuur oppookte en uit de bierfles dronk.
In mijn vervolg opleiding voor ‘beroeps-opvoeder’ werd de suggestie gewekt,  dat wij als opvoeders de pollepels moesten kunnen zwaaien. We kregen kookles in de keukens van de huishoudschool in Groningen. Ik kon toen al iets meer dan een eitje bakken en had al eens in de soep mogen roeren. Deze lessen zouden de basis gaan vormen voor mijn verdere culinaire ontwikkeling. Het rudimentaire werd er in 1 jaar door de struise kookjuf in gestampt.  Eindeloos stamppot en macaroni schotel maken.
Het echte experimenteren deed ik tijdens ‘het op kamers gaan’ waarin de allerhande in eerste instantie mijn richting bepaalde, later het idee. De finesse is later gekomen.
Nu kook ik voor het gezin en probeer ze te verblijden met rijke pasta sauzen, geurende oosterse mie’s, glanzende risotto’s  of ronde tagines. In onze 1 ster Michelin keuken wordt gewerkt…….

Met humeurige gezichten zitten de koters aan tafel, ik voorzie een muiterij. Er wordt met lange tanden gegeten.
M. als oudste, neemt het woord; “kunnen we nu nooit eens iets normaals eten? Altijd weer die vieze liflafjes van jullie!”
“Ja !”zegt Roos; “ik slik het altijd zo snel mogelijk weg, dan proef ik het niet!”
Toop zegt niks en schuift zijn bord voor zich weg. Duidelijker kan het niet.
“Wat stellen jullie voor?” vraag ik (hierin doe ik een beroep op mijn opvoedkundige lessen uit een ver verleden)
“We willen Hollands eten, gewoon aardappels, groente en vlees!” Alle drie kijken zeer beslist.

Na een week boerenkool, spitskool, spruiten, rodekool , bloemkool met worst, rookworst, blinde en rundervink, bal en karbonade smullen de koters en ik heb het wel gehad. Ik knal en voel me in deze eenzijdige opgeblazenheid een monatoetje.

Koters groeien op als tuig, tuig van de richel. Als ik in de spiegel kijk, zie ik ze alle drie grijzend naar me kijken.

M. glijdt langzaam af naar de kerkers van het puberdom. Haar emotionele ontboezemingen drijven uit het 12 jarige kinderlijf en zoeken zich een weg in een andere wereld dan die van mij.
“Ik moet daar uitblijven, ik ben een rotzak en ik snap er geen kloot van.” Het schelden is nog maar net begonnen. Ik sta haar beteuterd aan te kijken in mijn kortebroek met mijn lievelingsschort aan. Ik kook mee op haar schoolverlaterskamp en maak grapjes met mijn mede-ouders. Lachend en drinkend staan we boven de hete en stomende pannen met pollepels te zwaaien als mijn oudste de keuken binnen komt. “of ik niks anders te doen heb?”

Roos heeft beslist een reputatie hoog te houden waar het gaat om haar lerende en horende vaardigheden. Tenminste als ze ergens anders is.
Ik ben niet alleen haar coach op het hockeyveld, maar ook die van een heel team. Mijn meiden en ik spelen iedere zaterdag een behoorlijke pot waarin ik hun stuur, aanmoedig, troost en complimenteer. Afgelopen zaterdag had Roos genoeg van mijn aspiraties en deed precies het tegenovergestelde van wat ik zei. Riep ik haar de diepte in, ging zij naar binnen en zo ook met het naar voren en achteren gaan. Ze bleef maar praten.

Toop kijkt me aan en knikt alleen maar. “rustig he ouwe?!” Hij stapt op zijn fietsje en laat zijn school rugzak, jas en tekening voor me op het schoolplein liggen.

Mijn baas heeft gevraagd of ik volledig in Amsterdam kom werken.

Ik zie wel wat in die man die op zondag het vlees komt snijden……..

Om iets voor drie uur sta ik aan de poort. Ik wacht het moment in alle rust af, sta met mijn gezicht naar de zon gericht met gesloten ogen te genieten van de luttele rustige seconden. Ik voel heel even de lente. Een vage geur van bloesem en gemaaid gras. Ik heb even geen oog voor roddels en luister niet naar alle scheve blikken. Mijn rode onopvallende tas staat tegen mijn fiets.

Het moment komt snel, ik voel het komen. Ik wil mijn ogen niet openen en heel bewust dat moment proberen vast te houden. De zon geeft zijn warmte af, de stralen strelen mijn gezicht. Ik voel het door de stof van mijn jas heen. Een zacht briesje voert de geuren van het park, velden en bossen met zich mee.

Ruw word ik gestoord in mijn zinneprikkelende gedachten.

“alsjeblieft de strontkleren van je zoon”

Voor me staat de nieuwe stagiaire, een ka van een wijf

“neem mee dat jong, hie is in de hondestrond gelope en heb de hele klas onde gesmeerd”

Oh

“neem mee dat jong, hie heb zijn broek ook vol met stront getverrrrr”

Ze draait zich om en beent met lange passen weg. Op haar bil zit een grote bruine vlek. Ik durf haar niet terug te roepen. Toop die het ook gezien heeft kijkt me aan. 

Lachend fietsen we de lente in.  

“Yo Pa, je bent gedist!”

Ik sta haar verbaasd aan te gapen. Roos kijkt me met een triomfantelijke blik aan. 

“yeah je bent gedist dude”

Met een nog bredere frons moet ik er super stom uit hebben gezien, want voor ik iets kan zeggen rent ze lachend weg. In groep 4 leren ze toch fantastische dingen. Toop naast me haalt zijn schouders op “dude hahahahaha” en geeft me een dreun tegen mijn schouder. Ik zeg al niks meer over groep 2…….spreekverbod.

Ik heb echt geen idee wat er gezegd wordt. Ok, dude kan ik nog wel plaatsen, maar ‘dissen’? M. kijkt me aan en schudt haar hoofd. Wat is dat? vraag ik haar.

“Heeft te maken met respect pap, als je geen respect krijgt wordt je gedist”

Maar waarom word ik nu gedist?

“Omdat je er zo ontzettend niet cool uitziet en je wilde met me knokken” Zegt Roos als ze weer de keuken in komt. ” en… dat ga je verliezen”

Mozes kriebel, begin ik nu al een krasse knar te worden?

’s Ochtends vroeg, in de keuken laat ik een dikke ochtend scheet. De koters aan tafel hadden alles gehoord en bedienen me van commentaar. Met een gezicht als een engel ga ik aan tafel zitten en vertel dat ik net op een brulmier ben gaan staan.

Even is het stil. De meiden proesten het uit, maar Toop kijkt me heel indringend aan. “Waar is die mier dan?”

“Die mier is net weer weggekropen”

“Is wel een stinkmier hoor papa”, zegt hij met een twinkeling in zijn ogen.

’s Middags aan de poort word ik door juffie Phiel naar binnen gevraagd. “Even praten” zeggen de indringende ogen. Met haar vieze liedjes en dito woorden in gedachten schuivel ik de school binnen. Ik ben voorbereid op het ergste.

Geen stijl vindt Juffie Phiel, brulmieren bestaan niet. Hoe ik die onzin aan mijn kinderen kan vertellen. Tobias heeft in het kringgesprek laten zien wat brulmieren zijn, compleet met stank. Gaat heen mijnheer Haanappel en laat het niet meer voorkomen. Ik ben de lolbroek van de school!

Ik kijk haar aan en ontdek dezelfde twinkeling in haar ogen, die ik vanmorgen zag in de ogen van Toop. Ze steekt me een vinger toe. “Zo leer ik het de kinderen, trek er maar eens aan!”

Ik trek aan haar vinger. Een daverend geluid ontsnapt uit haar billen.

Gierend loop ik met Toop het schoolplein af. “juffie Phiel is hartstikke gek, maar wel lief”

“ja jong, knetter……”

De zondag spoel ik weg met witte wijn. De geuren van de houtkachel en de pompoentaart in de oven mengen zich en zorgen voor een onweerstaanbaar melange. Op de achtergrond het zachte pianospel van chopin. Toop loopt verkleed rond als sukkelman met een handdoek die op een cape moet lijken.

Zondagse taferelen, lazy sunday, dag van puur genot en ontspanning. Categorie brokken chocoladeletters. De regen geeft me een goede reden binnen te blijven, niets hoeft.  Voel geen druk. Realiseer me dat er balans is, althans in mijn hoofd. Lichamelijk is het ver te zoeken. Ben bang geworden om te hardlopen, bang te stranden in het bos. Ik stel het uit en schenk nog een glas in.

Sukkelman struint door het huis en knijpt in billen en borsten. in het voorbij gaan krijg ik een duw “SUKKELMAN!!!!” Hij duikt achter me langs en rent de trap op naar boven. Een halve minuut later hoor ik M. gillen. Ik glimlach en sluit de deur.

In gedachten maak ik een salade van veldsla en geitenkaas. Denk aan Frankrijk, denk aan het bakkertje en voel de stilte van het platteland.

“SUKKELMAN!!!!!” Ruw word ik uit mijn gedachten gehaald.

Ik haal de taart uit de oven en schenk nog eens bij.  A table

Pompoentaart 

1/2 pompoen schillen en in stukken snijden. Stukken in een ovenschaal doen en olijfolie overschenken. Schaal 25 tot 35 minuten in oven zetten van 200 graden. Het vruchtvlees moet dan helemal zacht zijn. Bovenkant mag iets verkleurd zijn. Pompoen prakken en mengen met 125 ml slagroom.

Bladerdeeg ontdooien en springvorm bekleden. Pompoen in springvorm scheppen. Mengsel maken van 2 eieren, 1 eierdooier en 125 ml slagroom. Goed loskloppen met royaal zout/peper en salie. Mengsel over vruchtvlees schenken. Garneren met plakken gorgonzola. Springvorm 15 - 20 minuten in oven op 200 graden.

Smaakt lekker met pittige salade en brood

Ik besluit eerder te stoppen met werken vandaag.

De afgelopen avond werkte ik heel laat mijn laatste gesprek af. Storingen teisterden het netwerk en geboden me om in actie te komen. De mosselen liet ik zwemmen in hun kostelijk vocht. Toop, Kaat en Keet vonden het niet erg dat ik mijn biezen pakte en zwaaiden me enthousiast gedag. Vanaf het moment dat ik de tourniquets indraai word ik mee gezogen in een poel van ellende. Na 4 uur communiceren en info verzamelen trap ik af, terug de koude nacht in.

Vandaag lijm ik de eindjes en zoek naar schuld, oorzaken en maak de balans op. Uren kruipen voorbij en slopen de concentratie-rek tot deze knapt.

Om me weer op te laden kleed ik me thuis snel om en duw Toop en Roos als hazen voor me uit.  Gedrieën verlaten we de wijk. De twee, niet kapot te krijgen, barsten na een dag binnen zitten van de energie en zetten mij aan tot buitengewone prestatie. 

Vlak voor mijn rek & strek moment flitsen we langs een cafe. Tussen twee bokbier reclameborden staat een bok te blaten. Toop en Roos vinden het maar niks.

“Ach wat zielig”

Toop wil de bok losmaken, maar wordt door het beest op de horens genomen. Verontwaardigd stapt hij weer op zijn fiets.

“Stom beest”

Dat bokken enorm kunnen stinken en hun eigen pies drinken wist ik, maar niet dat ze zo erg stinken dat ik ze nog steeds ruik als ik kilometers verder weer thuis ben.  Voor me loopt het gebokte manneke de garage in. Ik besnuffel hem en ruik de bok.

5 minuten later draait de was, speelt Toop in bad met zijn eendje en drink ik een bokje.  Lijkt wel dierendag…….

Bedtijd

Toop ligt tegen me aan te luisteren naar het verhaal. Ik vertel met overgave. Ieder personage krijgt een andere stem. Vooral de heks vindt hij vet. De heks in het verhaal is vrij ordi. Ik geef haar een lekker kek amsterdams accentje. De vader die de heks erg ordi vindt, geef ik een Groninger platte bek.  Zo  ontstaat er een nieuw verhaal in het oude. Zowel Toop als ik gaan er helemaal in op. Wanneer de kekke heks de groninger boer lik op stuk geeft zegt Toop ineens; “Pap,  weet jij wat schelden is? Ik wel stomme vetklep, flikker op dikzak”.

Ik verslik me in het speeksel dat ik ruim consumeer tijdens de voordracht en zit hem stom verbaast aan te gapen. 6 turven hoog

“Van juffie Phiel geleerd”

Roos neuriet tussen het tandenpoetsen en uitkleden een onbekend deuntje. Ik vraag haar welk liedje het is. Haar gezicht klaart helemaal op en met een grote BIG smile “je bent een lekker wijf”

“Zeker ook van juffie Phiel geleerd?”

“Yep”

Ik ga morgen maar eens naar school, even praten….

“Welterusten”

“truste ouwe”

grrrrrrrrrr

Denkend aan Holland
Zie ik brede rivieren
Traag door oneindig
Laagland gaan

Loom open ik mijn ogen, ontwaak uit een diepe slaap. Kijk naar boven, waar zonlicht door het ruisen van de wind speels tussen het dichte bladerdak schijnt

Rijen ondenkbaar
ijle populieren
Als hoge pluimen
Aan de einder staan

Het kost me tijd te beseffen waar ik ben. De lunch en de wijn hebben me doen inslapen. Stemmen vervaagden en het ratelen van de duizenden bladeren werken eentonig op me in.

En in de geweldige
Ruimte verzonken
De boerderijen
Verspreid door het land

De Tarn stroomt gestaag breed uitgemeten door het dal. Kinderen spelen in het ondiepe water. In het afgezette gedeelte van de rivier spetteren de kleintjes. Toop, met zijn oranje zwembandjes, voelt zich al snel te groot voor het ‘pierebad. “Is voor baby’s” en lonkt naar zijn zussen die van de stootkussens in het diepere gedeelte springen.

Boomgroepen, dorpen
Geknotte torens
Kerken en olmen
In een groots verband

Ik rek me uit en bekijk mijn omgeving door het blauwe glas van de zonnebril. Iedere keer heeft de natuur een overweldigend effect op me. De groene heuvels, de blauwe lucht, het violette water. De bodem van de rivier is bezaaid met stenen. Op blote voeten kom ik moeizaam vooruit. De stroming doet me wankelen en als een dronken kerel stuntel ik naar het midden van de rivier.
 
De lucht hangt er laag
En de zon wordt er langzaam
In grijze veel kleurige
Dampen gesmoord

In de verte zie ik Roos met haar vlaams vriendinnetje door het water naar de stroomversnelling lopen.Het gaat haar heel wat beter af dan mijn slakkengang. Ik vermoed dat ze haar crocs aan heeft. Ieder steentje onder mijn voeten is een marteling voor mijn zolen. Roos zwaait, ze is inmiddels bij de stroomversnelling aan gekomen. Ik zwaai. Roos blijft zwaaien, ik zwaai terug. Ik zie Roos wegdrijven, voorbij de versnelling. Op dat moment zie ik beweging aan de kant, allerlei mensen komen in actie. Met een arm, die net was opgehouden met zwaaien, staar ik naar de reddingsoperatie. Realiseer me dat het zwaaien een andere betekenis had en klos door het water naar de versnelling. Ik ontzie mijn voeten, val meerdere keren maar Roos is inmiddels gered. Ik neem haar in mijn armen, Stamel in mijn beste frans een bedankje. Mijn Roos is meer geschrokken  dan in gevaar geweest. Ik druk haar tegen me aan en samen huilen we van opluchting.

En in alle gewesten
Wordt de stem van het water
Met zijn eeuwige rampen
Gevreesd en gehoord

(Marsmans)

Denkend aan Frankrijk……

Naast het huis waarin ik ben opgegroeid, lag een gangpad. Het pad was smal en diende om tussen de garages door in de tuin te komen. De bijkeukendeur kwam ook uit in het gangetje. Boven deze deur zat het rooster van de afzuiger. Aan het einde van de middag kon ik precies ruiken wat er gekookt werd. De spruitjeslucht en wat ik nog smeriger vond, was de slijmerige gekookte andijvie, die bitter tegen mijn huig bleef plakken. Wanneer ik dit rook was mijn schreeuw om boterhammen, koek en snoep groot en kwam ik met heel veel frisse tegenzin thuis. Later kon ik de 70- er jaren macaronies, bami’s en pizza’s onderscheiden door even mijn neus in het gangpad te steken en een zucht van verlichting slaken door niet aan de Hollandse hap te moeten. Ik begreep die vaders wel die alles met de liefde der appelmoes bedekten.  Mijn moeder ging er in die tijd prat op een keukenprinses te zijn. Stralend legde ze dit,  na het compliment van mijn vader,  uit dat ze vroeger kooklessen had gegeven. Arme huishoudmeiden dacht ik dan, weer een hele generatie spruitjeslucht. Met braakneigingen slurpte ik de groente naar binnen. ‘Nooit’ heb ik me toen voorgenomen,  zal ik dit mijn tafelgenoten voorschotelen.

Jaren later kokkerel ik een aardig pannetje mee. Heb ik wilde bereidingen gedaan en krijg ik regelmatig les van een Oger. Maar………nu heeft mijn oudste liever bloemkool en slavink.  De zeeduivel met zelfgemaakte pesto wordt met lange tanden gegeten.  Met een gezicht op onweer komt ze de keuken binnen. Ze weet al lang wat we gaan eten. Ook zij heeft de gang naar het rooster gevonden.