Beslommeringen


Ik zie hem zitten, ineen gedoken, afgekeerd. Onderuitgezakt; half zittend, half liggend op een bank in het stadspark. Zijn gele ski-jack is al lang niet geel meer. Gescheurd en smoezelig. Goedkoop vulsel puilt uit de gerafelde naden als overkokende melk. Hij neemt niet de moeite om zijn veters te strikken, deze bungelen aan zijn versleten booties. Zijn spijkerbroek glimt in de laatste zonnestralen van de dag. In zijn hand heeft hij een fles wijn. Af en toe tilt hij zijn hoofd op en zet zijn gebarsten lippen aan de fles. Hij drinkt grote slokken. Bij iedere slok vallen plukken haar in natte slierten voor zijn ogen. De dag gaat in een roes aan hem voorbij. Althans dat denk ik.

In de winkel staat een vrouw naar een dameshorloge te kijken. Ik kijk met haar mee. Het duurdere segment, Zwitsers echt goud. Haar snit is netjes, Italiaanse confectie, gehipt in de lente kleuren. Borsten gelift en tanden gebleekt. Verveeld staat ze te kijken. Met irritant getik wenkt ze het personeel dat schielijk toegesneld komt. Om haar armen hangen de aankopen van de dag. Met gemak wordt een credit betaling gedaan. Ik zie geen opwinding, geen langverwacht verlangen of impulsieve daad. Haar dag is een ontvluchting. Althans dat denk ik.

Deze arrogantie naar het leven toe pakt me bij de strot en beneemt me de adem. Waar is die libido en waarom wordt de thanatos zo erg getart?

De wil en de lust. Het genot van de liefde en het gieren van de lente door de lendenen. Waarom die glimlach zo’n ontlading met zich mee kan brengen en dat ene nummer waar je kippenvel van krijgt. 6 vrienden aan de Blair Witch en mijn collega dat compliment geven waar hij zo’n recht op heeft, maar van zijn baas niet gaat krijgen. Ik ga coachen en vooral mijn vriend steunen, die de ballen heeft om te durven stoppen met roken; ‘omdat het leven zo mooi is’. Althans dat weet ik

In de kerk hangt nog de geur van een bewierookte mis. Hier heeft de pastoor over hel en verdoemenis gepredikt. Gespierde taal in een kleine gemeenschap, waar zonden door een hogere macht in beweging gezet worden. De gemeenschap weert zich tegen de wolf door bloed en brood tot zich te nemen. De herder reikt het uit. Zijn bestraffende woorden dragen de toornende troost voor het berouwvolle volk.

Langzaam loop ik door het middenschip naar de zijbeuken. Ik ben niet gelovig, ik geloof niet in een god. Toch bezoek ik graag een kerk. De hole stilte, iedere voetstap die echoot door het schip en nagalmt tot achter het altaar. In dit gebouw overheerst echter de soberheid.  Het interieur van deze kerk staat haaks op de roomse overdaad. Ik voel kilte en verstikkende rust. Het waart als een geest rond. Ik voel me niet welkom. Ik zie het aan ‘het lijden’. Het wordt op een gruwelijke wijze afgebeeld. Als vertellend stripverhaal hangt het aan de muur. Er gaat een waarschuwing vanuit. De uitstraling van angst.Ik sluit de zware deur achter me en stap terug in de grijsheid van de dag. De donkere dreiging van de natuur vind ik minder triest dan de bedomptheid van binnen.

De eerste vlokken vallen, het zal niet meer ophouden.

Inmiddels worden we in het dorp een attractie. Achter de vitrages worden we in de gaten gehouden. Wanneer we voorbij lopen voel ik vreemde ogen in mijn rug priemen. Zoals in de meeste Ardense dorpen speelt het leven zich binnenshuis af. In de winter maanden zie je bijna niemand op straat. Een toevallige passant, die zijn hond uitlaat, mompelt iets terug op onze welgemeende groet. Hier is de vergrijzing een feit. Nergens kinderen te bekennen. Geen vrolijkheid. De huizen hebben kleine ramen, dikke muren.

De beslotenheid van het naar binnengekeerd zijn, de beslotenheid van een gemeenschap. De grijsheid van het bestaan.

 

Ik zit in een Ardense keuken Condroz bier te drinken. Het is in de plaatselijke brouwerij gebrouwen. Dit fantastische geurige amber bier heeft een intense smaak en kleurt de winterdag.

Ik denk terug aan de valentijnse zondag die zonder vruchtbaarheidsfeest aan me voorbij is gegaan. Daarentegen zie ik Waalse mannen met grote bossen bloemen hun minnares opzoeken. Ik verdenk dat er ook een heleboel moeders bij zitten. Wellicht is de Waal niet kieskeurig en combineert hij drie in een; moeder - vrouw en minnares. De man die met een bos bloemen het huis tegenover mij in gaat,  kijkt over zijn schouder of niemand hem spot. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik knik. Een glimlach tekent zijn gezicht voor hij de deur achter zich dicht trekt. Vruchtbaarheidsriten zijn ook in deze contreien gecommercialiseerd, de fleurist in het lendende dorp is een rijk man.

Wanneer een gedeelte van het dorp de kerkdienst bij woont,  loop ik bij de slager binnen. Achter een hakblok staat een kleine gedrongen man. Zijn witte jas is besmeurd met vette vegen en bloed.  Met krachtige korte armen hanteert hij een groot hakmes en laat het na mijn ‘besjoer ‘ hard neer komen op een varkenspoot. De poot wordt door zijn kracht in tweeën gebroken. Twee varkensogen kijken me aan. De moorddadige blik in zijn ogen doet me denken aan de sublimatie theorieën van Freud.  Ik geloof dan ook niet dat deze slager een gelovig man is. Achter in de zaak ontdek ik een rondborstige pin-up. In een geile pose valt ze niet eens op tussen de naakte hammen. Op de een of andere manier schokt het me niet eens. In dit dorp vind ik de rauwe rudimenten van het Ardense platteland terug. De enorme afgelegenheid en de  beslotenheid van deze gemeenschap proef ik terug in de specialiteiten. Ik wijs een rosbief aan die aan een haak hangt. In weinig woorden maakt hij duidelijk dat het vlees al ‘vendu’ is. Dan maar iets anders en even later verlaat ik de slagerij met een entrecote van een kilo.

Ik lijk me geheel aan te passen.

Na het alarm, doe ik mijn ogen verschrikt open. De wekker laat het zien in concrete cijfers: 06:30. Woest uit mijn slaap weg gerukt, komt na een tijdje het besef, waarom ik op dit onmogelijke tijdstip, in de herfstvakantie het bed uit moet. Ik heb een afspraak met mijn kapper.
Slaapdronken schuifel ik door een donker huis. Tijdens de douche, ontbijt en fietstocht naar de stad blijft het donker. Bij de treden van de fietsenstalling staar ik naar een donker gat. Pas na een blik op het bord met de openingstijden, dringt het tot me door. Thuis ligt er iemand zich enorm te verkneukelen en lacht de rest van de familie wakker. Ik ben een uur te vroeg, de wekker is express niet terug gezet. Wintertijd, waarschijnlijk door het uur jetlag is het me niet opgevallen. Onvoorwaardelijk vertrouwen in de wekker.

Nu sta ik in het donker, een uur wachttijd in het centrum van Maastricht. Om me heen sluiten de laatste kroegen. De laatste tijgers zwalken huiswaarts.
img00021-20091028-0630.jpg
Ik besluit op zoek te gaan naar het ontwaken van de ‘grande Dame’. Langzaam fiets ik door de binnenstad. In de kroegen worden de ramen verduisterd, voor een laatste afzakkertje aan de toog. Ik verwacht intieme gesprekken, of meer wat het buitenlicht niet kan verdragen. Ik zal het niet te weten komen. Op het vrijthof worden de terrassen schoon gespoten.

img00023-20091028-0634.jpg

Een politiewagen rijdt langzaam achter me aan en stopt wanneer ik foto’s neem. Ik trek me er niet zoveel van aan. Ook niet van het geschreeuw en gebral van huiswaarts kerende zatlappen. Alles in scherp contrast met de bedrijvigheid op de markt, die wordt opgebouwd.

img00024-20091028-0637.jpg

Taxi’s en schoonmaak bedrijven rijden af en aan.
img00025-20091028-0639.jpg

De nacht wordt langzaam verdreven  en morgenrood kleurt boven de oostelijke helft. Ik wil dit beeld beter kunnen pakken en fiets zuidwaarts de Pietersberg op.

img00030-20091028-0655.jpg

Hier heb ik een fantastisch uitzicht over de Maas vallei.

img00031-20091028-0656.jpg

Een ontwakende stad wordt geneveld in rode schakeringen. Ademloos sta ik minuten lang te kijken naar dit schouwspel. Ik probeer de kleuren te vangen, alleen de megapixels van mijn mobiel zijn niet genoeg om dit palet digitaal op te kunnen slaan. In dit gedeelte van de stad is het stil, ik hoor alleen het zachtjes suizen van de wind. Het langzaam op gang komende forens verkeer wordt verstomd door een warme zuidenwind. Naast een van de hotels op de berg staan tientallen Poolse auto’s geparkeerd. Hier slapen klusjesmannen, ver weg van eigen land en haard.
Nog eenmaal fiets ik de markt over. Inmiddels zijn alle kraampjes opgebouwd en waren uitgestald. Straks ga ik hier boodschappen doen.

img00034-20091028-0708.jpg

Van een ontwakende stad is eigenlijk geen sprake, de stad slaapt niet. Haar ingezeten zorgen voor een balans tussen rust en waken.

Na een lange week verlang ik naar rust, een borrel en de warmte van de houtkachel. Vooral de stilte, geen gesprekken, geen telefoon, geen paniek. Mijn hoofd zit vol ellende, escalaties en flarden van geprekken blijven als pijnpunten hangen.
Ik sluit af en fiets met een zwaar hoofd naar huis. De wind neemt me mee en als een blad dwarrel ik zuidwaarts. Het is herfstig.
Thuis staat toop me op te wachten. Hij kijkt me verwachtingsvol aan. In zijn handen draagt hij een tas met sportspullen. Het duurt even, maar dan valt het kwartje. Het is zijn eerste teakwando les. Een kwartier later doet hij zijn eerste krijgsdans.
Het lawaai is oorverdovend. De koreanen zetten oraal bij wat ze lichamelijk te kort komen. Wat een spectakel, ik zit te kijken naar een wervelende show. Ik geniet en kom helemaal tot rust. En toop, die heeft zijn ding gevonden

img00006-20091016-1837.jpgimg00010-20091016-1919.jpgimg00009-20091016-1909.jpgimg00008-20091016-1842.jpg

Als klein manneke keek ik nieuwsgierig de wereld in. Soms werd ik gegrepen door een blik of een houding van iemand. Het was vaak een trieste die me mateloos intrigeerde. De verdwaasde blik van een kerel die voor zich uit in het luchtledige keek, zijn hangende schouders en de autistische ritmiek van zijn ledematen. Meestal waren het kerels die door hun vrouw de stad in werden getrokken, om op de zaterdag uit te kijken naar een paar nieuwe sokken en das. De triestheid in kwestie accepteerde zijn lot en sjokte achter zijn eega aan. Verdwaast, berustend en in gedachten verzonken.

Ik probeerde die gedachten te doorgronden. Niet bewust van de ellende in de man zijn hoofd, bedacht ik me als manneke dat deze man zo ongelofelijk zielig was. Ik kon hem alleen met open mond aan blijven staren. Met dezelfde blik keek ik zijn kant op en bedacht dat hij zijn geld was vergeten of honger had. Het was de leegheid in zijn ogen. Ik kon me niet bedenken dat iemand zo triest kon zijn.

Vandaag deed ik bij de buurt super de boodschappen. Tijdens mijn survival tussen de koters en hun moeders sta ik peinzend in de kaasbak te kijken. In vertwijfeling tussen jonge en belegen beleef ik de dag in vogelvlucht. Morsig sta ik te kwijlen boven de kaas. Naast me staat een klein manneke naar me te kijken. Zijn ogen vangen mijn blik . Als ik naar hem lach zie ik hem opgelucht ademhalen. Met een grote grijns loop ik naar hem toe en geef hem een aai over zijn bol.

Vanmiddag liet Toop me weten na het zien van enkele youtube filmpjes dat hij niet wil rugbyen.
De jongste Haanappel telg is niet zo sportief. Met zijn woorden “ik ben niet zo van sport”, had ik hem de opdracht gegeven eens te kijken naar wat sporten. Om er zeker van te zijn dat hij badminton niet verward met tennis en voetbal van hockey kan onderscheiden. Eigenlijk verbaast me dit te zeerste. Iedereen in huis is actief en doet dat individueel of in groepsverband. Het is alleen niet zijn ding. Ik wil hem niet pushen, maar na de vakantie ben ik hem toch een beetje aan het voorbereiden op een sportief bestaan. Omdat Rugby mijn ding is, heb ik hem enthousiast het spel via de digitale weg laten zien.
Ook heb ik in de vakantie een start gemaakt met een ander must do in de opvoeding; het lezen en zien van in de ban van de ring. Als je dan denkt aan orks,  kom je van zelf in Nieuw Zeeland terecht. Dus via de Haka, naar de mooiste try’s van de All Blacks .

Orks in de film maken blijkbaar minder indruk op hem dan het Rugby geweld. Hij vindt het maar niks. Wat heb ik mis gedaan?

Een subtiel begrip. Het recht om doorgang te hebben, ondanks dat het pad  over land van anderen gaat. Niet alleen een subtiel begrip, het is met name vooral een recht voor vrijheids beleving.

Twee weekenden geleden was het Limburgse heuvelland vol met Nederlanders die hun vrijheids gevoel kamperend  kwamen beleven.
‘echt het idee dat je op vakantie bent…… hiero,…. is zo buitenlands Sjaan’
Terwijl het aangenaam lente weer zomers aan voelde, liep het gezin Haanappel door de heuvels te struinen. Een van de favoriete wandel gesprekken gaan meestal over het maken van vakantie plannen. Met name de koters voelen zich vurig betrokken en ventileren hun idee: huizen ruil, liefst met een Zuid-Europees gezin.
Ik opper voor de verandering dat kamperen hier in Nederland helemaal niet slecht is. Inmiddels weet ik dat slecht weer ook heel normaal is aan de Tarn of in Apt en dat het enorm kan hozen in de Ardeche en de Creuze.
Nee, kamperen in eigen land lijkt me wel wat.

Als we door een draaihekje gaan, lopen we ineens een camping op. De route loopt dwars door een immens weiland van kamperen bij boer Vaos. Het hele veld staat mud vol met sleurhutten en iglo’s.
Direct achter het draaihek hebben een stuk of wat dikbuikige 50 plussers een partytent opgezet en terwijl hun echtgenotes de bbq proberen aan te steken, poetsen zij hun oldtimers op. De oude sportwagens staan glimmend de andere kampeergasten aan te gapen.
Een man met witte sportsokken in zijn nep - teva’s,  komt met een teiltje afwas onze kant op. Hij heeft blijkbaar onze verbazing  gezien en wijst ons waar we het veld over moeten steken. We kijken onze ogen uit. Op een camping maakt het ineens niet meer uit hoe je erbij loopt. Naast de zak aardappels staat het senseo apparaat, zelfs de kat reist aangelijnd ook mee.
Wat me vooral bijblijft is de dikbuikige 50 plussers, die amstel kratten stapelen.  Is dit het  Ultieme Nederlandse kamperen?
M. geneert zich en trekt me zo snel mogelijk het veld over. Toop en Roos zien er nog wel de lol van in, maar in het draaihekje word ik tegen gehouden door Caat.
‘NEE, we gaan niet in Nederland kamperen, dan ga je maar alleen’

Buiten regent het. Ik fantaseer over geulen om de tent graven, kaplaarzen en zuidwesters. Wolken die over de einder scheren, altijd tegenwind en zo genieten als mijn pad rechtdoor gaat.

Secret South, deze woorden spoken door mijn hoofd en hameren aan de binnenkant tegen mijn netvlies. Verwachtingen spatten op als regendruppels en beklijven met zoete herinneringen. Een weekend trappen door de Ardennen kan de eindeloze stroom niet stoppen. De roep om avontuur teistert mijn concentratie en striemt een langgerekte hunkering.

Samen met Toop doe ik de boodschappen in ons winkelcentrum.
Achter de kassa van de Blokker zit een dame dromerig voor zich uit te staren. Haar pretoogjes glinsteren. Vanaf het serviesrek  observeer ik haar. Lang geblondeerd haar, dat zo droog is dat het een bos stro lijkt. In elk oor 4 ringen en vermoed dat ze volledig gepierced zal zijn. Toch is de strikte kledingcode van de Blokker duidelijk; allemaal dezelfde kleding en geen opsmuk of aanstootgevende uiterlijkheden.
Omdat Toop buiten op het plein loopt te stuiteren, neem ik de tijd haar te observeren. Haar intens dromerige blik intrigeert me. Ik piel wat met kop en schotels en trek wat deksels van pannen. Ondertussen kijk ik tussen de rekken door en probeer haar gedachten te peilen. Ze bijt op haar lip en sluit haar ogen, ze lijkt compleet op te gaan in haar herinnering. Ik kan alleen maar raden naar haar roerselen. Ik doe een poging dichterbij te komen.
Wreed gestoord door een harde joviale klap op mijn schouder, word ik vrolijk begroet. Met een ruk draai ik me om en kijk omhoog naar een 2 meter boomlange Manuel. Mijn ex-pupil uit een vorig leven. Hij lispelt weer een onsamenhangend verhaal aan elkaar. Compleet vreemd en bij iedere hap lucht ontwaar ik zijn zilveren clitoris op zijn grijze lap. Vlagen van het gesprek probeer ik te ontwarren, maar ze zijn te fragmentarisch om er  een geheel van te maken
…………..politie………..gevecht…………uithuiszetting……..ouders…………batje……….ik……..batteraaf………….internaat………..bij de keel grijpen…….hoe heet je ook al weer?
Ik kijk langs hem heen. Haar pretoogjes zijn verdwenen. Ik luister naar zijn waterval van woorden die door blijven vallen in een eindeloze stroom debiliteiten.
‘Ik, ik ben Bram’
De dame achter de kassa is er weer bij en met een glimlach van oor tot oor is ze het  stralende middelpunt van de Blokker.
Manuel en ik lopen samen het plein op. Ik zie Toop die op de wipkip van de super aan het punken is.

‘Laat je niet gek maken’ zeg ik tegen Manuel als ik samen met Toop weg fiets. Even zie ik een glimlach om zijn verbeten mond. Hij steekt een hand op alsof hij wil zeggen dat het wel goed komt. Ik betwijfel dat.
Secret South, in het winkelcentrum, een klein stilleven van een avontuur. Te mooi om zachtjes te laten verdwijnen.

‘We zoeken gekken die op de fiets de Alpen over willen, voor het goede doel dan’

Een klein berichtje op ons intranet, een heel klein berichtje dan. Niets zeggend, er zo overheen lezend klein berichtje, om daarna weer heel snel aan het werk te gaan en er vooral……..VOORAL niet bij stil te staan. Omdat het zo’n klein berichtje was, bleef het ook niet hangen en hield het me niet bezig. Stel je voor dat dit soort memo mij uit mijn concentratie zou houden.……………

Ik ben gek

Next Page »