een eenzijdige kijk op het leven


Roken is iets dat nog sporadisch in huize Haanappel wordt gedaan. Wanneer Oma, Raoul, Pantani of andere vrienden over de vloer komen staan ze al snel op het verbanningsveldje hun geneugten te doen. Dat was 4 jaar geleden wel wat anders. Ik was een steady draaier en kon vet genieten van mijn shaggie. Als roker heb je geen idee hoe dat je ruikt. Dat laatste sigaretje voor het slapen gaan, wegspoelen met een glas whisky, mmm heerlijk, maar als een caféschoorsteen kroop ik dan in bed. In de veronderstelling dat ik de meest erotische geur mee onder het dekbed nam. Achteraf  kan ik me indenken dat knuffelen met een stuk houtskool even opwindend is.
Ik werd er dit weekend toch even mee geconfronteerd. Toop vertelde aan tafel dat hij de nieuwe inval juf maar helemaal niks vindt. Waarom dan niet?
“Ze stinkt, vooral na de pauze. Dan komt ze de klas binnenlopen met zo’n rookdoosje. Dan stinkt ze overal. Haar handen, maar vooral uit haar mond en als ze dan naast me komt zitten moet ik mijn neus dichtknijpen”
Nu weet ik even niet wat meer meurt dan een ‘laatste sigaretje in de pauze’. Een collega die net een salami worst naar binnen heeft gewerkt, mijn briljante nerd die niet weet wat deo is (schone kleren; wat zijn dat?), of de overweldigende geur van slechte parfum in het bos.
Wat me vooral bijbleef van Toop zijn verhaal was het ‘rookdoosje’. Een bijzonder woord. Ik ben opgegroeid met de sigarendoos en pakjes sigaretten op tafel. Toch over een aantal generaties weten kinderen niet meer wat roken is. Net zoals de gulden en de telefoon met draaischijf of onbereikbaar zijn.

Vannacht ga ik dromen van kampvuur in de Ardennen. Ik kijk dromerig in de gloed van het vuur en draai een shaggie. Ik neem een teug uit mijn heupfles en realiseer me dat ik heerlijk onbereikbaar ben…….

Met de rode gloed van de ondergaande zon boven de Pietersberg, fiets ik langs de A2 naar huis. Naast me zie ik auto’s richting mijn Ardennen razen en verdwijnen achter de boomgaarden van Gronsveld. Met enige jaloersheid, vooral nu de herfstige kleurenpracht de natuur woest aantrekkelijk maakt. De natuur pronkt een laatste keer om zich op te maken voor kou en duisternis.
De ontspanning van de brandende houtkachel verwarmt mijn verkleumde lijf. Met een glas rode wijn in mijn hand luister ik naar alle verhalen en met de ander roer ik in een geurende dampende pan. Langzaam valt de avond. Op de achtergrond zijn de jazzy klanken van Getz te horen. Autumn leaves, het vuur knettert, mijn herfst, mijn avond.

Een druilerige middag.  De grachten liggen er verlaten bij.  Een politieboot duwt een woonboot naar zijn plaats. Aan dek voeren de eigenaar en de agent een verhit gesprek. Door de regen ziet het er mistroostig uit. De klinkers glimmen, paraplu’s en een enkele bakfiets vervolgen hun weg, de brug over, zonder een een blik te werpen op de twee mannen die nu als twee kemphanen wankelend aan boord hun strijd voeren.

Ineen gedoken in mijn lange jas, loop ik door nat Amsterdam. Door de Nieuwezijds, kroegtijgers, een paar Engelsen in korte broek lallend , Duitse meiden en een paar Amerikanen, stoned na het eten van paddo’s. Een mengeling van hooligan- en  alternativisme, de kale tatoeages versus de lange gepiercete dreadlocks. Lijkt een alledaags gezicht.

‘Lijkt’, lijkt zo ver weg. Realiseer me het enorme verschil. De beslotenheid van de provincie en de mogelijkheden van een grote stad.

Het druilen gaat over in plensen. Grote druppels vallen door de aanwakkerende wind horizontaal. In een mum van tijd ben ik doorweekt en ga op in de anonimiteit. De grijsheid van het bestaan wordt geaccentualiseerd door de draagpracht van de Amsterdammer en de forens. In donkere weggekropen jassen vluchten voetgangers hun weg over straat. Trams knarsen voorbij en absorberen de rest van het schuilend publiek.

Met een glimlach been ik verder in een stad die zich opmaakt voor de avond. Ik steek mijn handen dieper in mijn zakken en zing zachtjes………

In het zachte licht van de nakende herfst ren ik de stad uit. Buiten de stads grenzen verbergen witte wiefen het glooiende landschap. Achter me draait iedereen zich nog eens om. De zondagmorgen remt de moderne mens in zijn ritme.

Mijn huid tintelt door de eerste kou, het vocht, vermengt met mijn zweet, parelt op mijn zwarte shirt. De zon klimt boven de heuvels en laat de flarden oplossen. Een enkele hond laat zijn baas uit.

Het pad door de grub ligt er verlaten bij. Een buizerd, op 2 meter afstand, laat zijn prooi voor mijn voeten vallen en vliegt met grote vleugelslagen het dal in. De bloederige duif blijft dood achter. Door deze onverwachte ontmoeting giert de adrenaline door mijn lijf. Alle pijntjes vergeet ik en voel me na vertragen intens een met mijn omgeving. Ik ga op tussen de rijen populieren, die aards geuren naar rottend blad. Met de zon op mijn gezicht ren ik tussen de landerijen, die met hun vele kleuren een groen palet vormen. Deze grootsheid drijft me voort.

Wanneer ik de stad nader ontwaar ik een ander aroma, met de geur van koffie en croissants ren ik de straat in. In de verte luiden de klokken voor de eerste heilige mis.

Maastricht ontwaakt.

Er wordt wel eens geroepen dat kerels een beperkt blikveld hebben. Die dat roepen zijn vaak vrouwen.  Een enkele kerel houdt vast dat hij ook een beperkt blikveld heeft. Dat is geen kerel, dat is een leugenaar.

Mijn wijdse blik omarmt al mijn geneugtes en dat zijn er vele. Voor die geneugtes leef ik. Is heerlijk om je omgeving te begrijpen, te beschermen, te koesteren en lief te hebben. Nog tien dagen en de beperktheid voor een weekend is een feit. Dan heb ik mijn vrienden lief in een andere omgeving, ongecompliceerd, wars van drama en pietluttigheid. Zetten we allemaal voor een moment de oogkleppen op en drijven we ons voort op pure kracht.

Wat een enorm gezeur, lijk wel een….

Nog 10 dagen