In een dorp wonen heeft zo zijn voordelen. Iedereen kent iedereen. Ik heb een houtkachel en ik wil vuren. Een paar weken geleden zag ik dat er een tractor met hout bij de overburen naar binnen werd gereden. Een goed moment om kennis te maken. Een kwartier later had ik een kuub hout in mijn achtertuin liggen en het telefoonnummer van de schoorsteenveger.

Twee weken later belden de vegers aan; Sven en Janus.

Ik zou verwachten, dat ze het dak op zouden klimmen. Niets minder is waar. De twee potige kerels liepen het huis binnen met hun schoorsteen accessoires. Kachel werd van de muur getrokken en een soort golftas werd voor de schouw neer gezet. Ik bekeek hen aandachtig.  In de golftas zat een verscheidenheid aan ruwe borstels en stokken. De borstel werd gebogen en in het rookkanaal geduwd. Het uiteinde aan een stok bevestigd. Met de elegantie van een chirurg, werd de borstel  om hoog geduwd. Het tweede potige manneke zorgde met een super nilfisk dat er ook maar geen enkel roet deeltje de kamer in dwarrelde.

Ik zag hier, dat de schoorsteenveger iets geleerd heeft. Het beroette beroep heeft nog steeds een slechte naam. Ik ken de verhalen van oplichting en ben daar zelf slachtoffer van geweest. In mijn vorige huis, met houtkachel, moest voor het eerst ook geveegd worden. Mijn eerste kachel en ik volgde de regels; ieder jaar een veeg.

Deze heren, klommen wel het dak op en inspecteerden de schoorsteen van boven. De info die ze vanaf de nok gaven, was zo technisch en angstaanjagend dat ze direct over moesten gaan op het vernieuwen van de kap. Voor 300 euro wilde ze dat wel doen. Als dat niet gebeurde zou er wel eens schoorsteenbrand uit kunnen breken. Met die wetenschap en mijn onervarenheid gaf ik akkoord voor het plaatsen van een rotorvent. Binnen 5 minuten stond er een glimmende en draaiende kap op de schoorsteen. Was ook voor een super zuigkracht. Ja ja, na zo veel jaar weet ik wel beter.

De vegers van vandaag, met mondkapjes voor,  gingen als een team te werk.Sven en Janus stuwden de borstel naar boven tot het kapje, een simpel ding en veegden in een gesmeerde samenwerking het kanaal. Terwijl ze dat deden, dansten ze als ballerina’s rondom het vloerkleed, om maar geen beschadigingen of troep te maken. Ik vond het maar wat komisch. Ineens kreeg het verguisde beroep iets vrouwelijks. Handenvol roet en gruis werd uit de pijp gehaald. Ik stond er versteld van, de vorige bewoners hebben blijkbaar nooit geveegd.

Na het vegen en afrekenen, gaven ze me een schone hand en vertrokken. Klaar voor de stook!

Nu zit ik met een wijntje, in gedachten, naar het vuur te staren en mis mijn lief, die voor het werk op reis is, om dit samen mee te delen.

De bel gaat. Ik word opgeschrikt uit mijn overpeinzingen.

Denise en ik, zijn net in het dorp komen wonen en daardoor is er nog niet zoveel aanloop. Langzaam sta ik op van de bank en slof in gedachten naar de voordeur. We hebben een kijkgaatje in de deur, maar als ik er door heen kijk, zie ik niemand staan.

Als ik de deur open maak, staat er een onooglijk oud kereltje op de stoep.

Ik zie drie stompjes tanden in zijn mond staan. Een peuk kleeft aan zijn onderlip als hij praat. Hij heeft een grijze stoffen overjas aan en staat op klompen. Als hij een puntmuts op had, zou hij zo uit de voortuin weg gelopen kunnen zijn. In onverstaanbaar dialect  vraagt hij iets. Ik versta alleen ‘aardappels’. Aha, de aardappelboer van het dorp.

Ik koop nooit aan de deur, maar deze oude man heeft iets onschuldigs. Ik kijk hem nog eens goed aan, terwijl ik de overweging maak om tot kopen over te gaan. Niet het ontbreken van tanden trekt mijn aandacht, maar zijn enorme handen. Zo klein als hij is, zo groots zijn z’n handen. Deze handen kunnen in eens een rauwe aardappel pureren. Grote donkere nagels, als of hij net geoogst heeft.

Twee guitige ogen volgen mijn blik en hij steekt zijn enorme hand uit. “Sjarrel”, versta ik en ik pak de hand. “Bram, hallo Sjarrel. Ik neem een zak”. Mijn hand wordt ontsloten door zijn enorme knuist. Ik voel zijn hand samenknijpen en vrees voor het breken van die van mij. Terugtrekken is geen optie, ondanks zijn 2 turven hoogte.

“Walnoten bij?”

“Ja, doe maar een zakje” stamel ik. Ik ben blij als hij de greep laat verslappen en ik die van mijn kan terug trekken.

Sjarrel sjokt naar zijn tractor en haalt achter de laadklep de zakken tevoorschijn.

“Tot volgende week”, zegt hij, als ik afgerekend heb.

Dat dacht ik niet, volgende week blijven de gordijnen dicht, wordt er niet gereageerd op de bel en de eerste jaren wordt er geen lord of the rings meer gekeken.

Ik zie hem zitten, ineen gedoken, afgekeerd. Onderuitgezakt; half zittend, half liggend op een bank in het stadspark. Zijn gele ski-jack is al lang niet geel meer. Gescheurd en smoezelig. Goedkoop vulsel puilt uit de gerafelde naden als overkokende melk. Hij neemt niet de moeite om zijn veters te strikken, deze bungelen aan zijn versleten booties. Zijn spijkerbroek glimt in de laatste zonnestralen van de dag. In zijn hand heeft hij een fles wijn. Af en toe tilt hij zijn hoofd op en zet zijn gebarsten lippen aan de fles. Hij drinkt grote slokken. Bij iedere slok vallen plukken haar in natte slierten voor zijn ogen. De dag gaat in een roes aan hem voorbij. Althans dat denk ik.

In de winkel staat een vrouw naar een dameshorloge te kijken. Ik kijk met haar mee. Het duurdere segment, Zwitsers echt goud. Haar snit is netjes, Italiaanse confectie, gehipt in de lente kleuren. Borsten gelift en tanden gebleekt. Verveeld staat ze te kijken. Met irritant getik wenkt ze het personeel dat schielijk toegesneld komt. Om haar armen hangen de aankopen van de dag. Met gemak wordt een credit betaling gedaan. Ik zie geen opwinding, geen langverwacht verlangen of impulsieve daad. Haar dag is een ontvluchting. Althans dat denk ik.

Deze arrogantie naar het leven toe pakt me bij de strot en beneemt me de adem. Waar is die libido en waarom wordt de thanatos zo erg getart?

De wil en de lust. Het genot van de liefde en het gieren van de lente door de lendenen. Waarom die glimlach zo’n ontlading met zich mee kan brengen en dat ene nummer waar je kippenvel van krijgt. 6 vrienden aan de Blair Witch en mijn collega dat compliment geven waar hij zo’n recht op heeft, maar van zijn baas niet gaat krijgen. Ik ga coachen en vooral mijn vriend steunen, die de ballen heeft om te durven stoppen met roken; ‘omdat het leven zo mooi is’. Althans dat weet ik

In de kerk hangt nog de geur van een bewierookte mis. Hier heeft de pastoor over hel en verdoemenis gepredikt. Gespierde taal in een kleine gemeenschap, waar zonden door een hogere macht in beweging gezet worden. De gemeenschap weert zich tegen de wolf door bloed en brood tot zich te nemen. De herder reikt het uit. Zijn bestraffende woorden dragen de toornende troost voor het berouwvolle volk.

Langzaam loop ik door het middenschip naar de zijbeuken. Ik ben niet gelovig, ik geloof niet in een god. Toch bezoek ik graag een kerk. De hole stilte, iedere voetstap die echoot door het schip en nagalmt tot achter het altaar. In dit gebouw overheerst echter de soberheid.  Het interieur van deze kerk staat haaks op de roomse overdaad. Ik voel kilte en verstikkende rust. Het waart als een geest rond. Ik voel me niet welkom. Ik zie het aan ‘het lijden’. Het wordt op een gruwelijke wijze afgebeeld. Als vertellend stripverhaal hangt het aan de muur. Er gaat een waarschuwing vanuit. De uitstraling van angst.Ik sluit de zware deur achter me en stap terug in de grijsheid van de dag. De donkere dreiging van de natuur vind ik minder triest dan de bedomptheid van binnen.

De eerste vlokken vallen, het zal niet meer ophouden.

Inmiddels worden we in het dorp een attractie. Achter de vitrages worden we in de gaten gehouden. Wanneer we voorbij lopen voel ik vreemde ogen in mijn rug priemen. Zoals in de meeste Ardense dorpen speelt het leven zich binnenshuis af. In de winter maanden zie je bijna niemand op straat. Een toevallige passant, die zijn hond uitlaat, mompelt iets terug op onze welgemeende groet. Hier is de vergrijzing een feit. Nergens kinderen te bekennen. Geen vrolijkheid. De huizen hebben kleine ramen, dikke muren.

De beslotenheid van het naar binnengekeerd zijn, de beslotenheid van een gemeenschap. De grijsheid van het bestaan.

 

Ik zit in een Ardense keuken Condroz bier te drinken. Het is in de plaatselijke brouwerij gebrouwen. Dit fantastische geurige amber bier heeft een intense smaak en kleurt de winterdag.

Ik denk terug aan de valentijnse zondag die zonder vruchtbaarheidsfeest aan me voorbij is gegaan. Daarentegen zie ik Waalse mannen met grote bossen bloemen hun minnares opzoeken. Ik verdenk dat er ook een heleboel moeders bij zitten. Wellicht is de Waal niet kieskeurig en combineert hij drie in een; moeder - vrouw en minnares. De man die met een bos bloemen het huis tegenover mij in gaat,  kijkt over zijn schouder of niemand hem spot. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik knik. Een glimlach tekent zijn gezicht voor hij de deur achter zich dicht trekt. Vruchtbaarheidsriten zijn ook in deze contreien gecommercialiseerd, de fleurist in het lendende dorp is een rijk man.

Wanneer een gedeelte van het dorp de kerkdienst bij woont,  loop ik bij de slager binnen. Achter een hakblok staat een kleine gedrongen man. Zijn witte jas is besmeurd met vette vegen en bloed.  Met krachtige korte armen hanteert hij een groot hakmes en laat het na mijn ‘besjoer ‘ hard neer komen op een varkenspoot. De poot wordt door zijn kracht in tweeën gebroken. Twee varkensogen kijken me aan. De moorddadige blik in zijn ogen doet me denken aan de sublimatie theorieën van Freud.  Ik geloof dan ook niet dat deze slager een gelovig man is. Achter in de zaak ontdek ik een rondborstige pin-up. In een geile pose valt ze niet eens op tussen de naakte hammen. Op de een of andere manier schokt het me niet eens. In dit dorp vind ik de rauwe rudimenten van het Ardense platteland terug. De enorme afgelegenheid en de  beslotenheid van deze gemeenschap proef ik terug in de specialiteiten. Ik wijs een rosbief aan die aan een haak hangt. In weinig woorden maakt hij duidelijk dat het vlees al ‘vendu’ is. Dan maar iets anders en even later verlaat ik de slagerij met een entrecote van een kilo.

Ik lijk me geheel aan te passen.

Stoeptegel staat met zijn neus tegen het koude glas naar buiten te kijken. Gedachteloos, wat moet je anders? Op zijn mobiel leest hij het laatste HR nieuws voor het MT. Meer beweging, meer interactie, flexplekken. Personeel moet meer van hun plek, socializen bij de automaat. Hoe krijg ik die nerds van hun plek?

Badmuts haalt koffie, het derde bakkie inmiddels. De boys van de gang kijken haar weer na. Stoeptegel draait zijn hoofd om en ziet de hoofden van de verrekte nerds van achter hun scherm geil naar de billen van Badmuts staren.
Langzaam valt het kwartje.

Door haar gang door de gang komen die nerds nog eens achter hun scherm vandaan. Bewegingstherapie. Normaal zijn ze honk- en schermvast en vastgeplakt op hun stoel,  binnen armbereik van cola, snickers en zure bommen. De kortgeroktheid van Badmuts zorgt enigszins voor lichamelijke inspanning.
Buiten de dagelijkse inspanningen van 3 x schijten, 8 x koffiehalen, 1 lijntje op de wc en 20 sigaretten onder het afdakje moet er meer beweging zijn. Moet wel op te pimpen zijn tot 0.8 fte.
Ruw uit zijn overpeinzingen gehaald kijkt hij naar de borsten van Badmuts. In haar hand heeft ze een mok koffie voor Stoeptegel.
‘Hiero’ kirrend geeft ze hem zijn koffie.
‘Zeg’ zegt hij tegen ze; ‘als jullie morgen eens soberder gekleed gaan, wat spannender zeg maar. Wat vinden jullie daarvan?’
‘Nou meneer Stoeptegel’ kirt Badmuts ‘wat stelt u voor?’
In zijn gedachten worden een aantal suggesties zonder gene afgespeeld. Hij kijkt naar buiten, het sneeuwt.
‘Veel bloot juffrouw Badmuts’
‘Oei, mijnheer Stoeptegel, wat gaat u doen?’
‘Nou ik niet, juffrouw Badmuts. De jongens van de gang’
‘Oei mijnheer Stoeptegel, een echte gangbang. Jammie’

‘Ja Badmuts, ik ben bang, ik ben bang……

To a haggis…….

Afgelopen zaterdag zou ik een Burns supper krijgen. Een avond vol Schotse heroïek met liederen, poëzie en kookkunst.  In de weken  daar voor had ik al het genoegen de verhalen aan te horen van mijn Schotse collega’s. Het doornemen van Schotse kookboeken ontlokten hen, ver weg van hun geboortegrond, vele ‘jummy’s ‘en ‘thats real good food Bram!’Ze beleefden weer hun eigen jeugd. Het is een sobere keuken, met vooral stovies en claphots. Waarschijnlijk doe ik ze nu erg tekort, ik heb het helaas niet kunnen proeven!

Sinds begin December sloop ik mijn lichaam en negeer ik de signalen; roofbouw plegen en maar doorgaan met hoesten. Waar anderen zich verbazen en ergeren, haal ik mijn schouders op en bedenk me, dat ik dit altijd al zo gedaan heb: hoesten doe je tot het moment dat je moet stoppen, omdat je moet kokhalzen.

Een verschrikkelijke droge kuch die maar blijft irriteren zolang je blijft hoesten. Zo ging het vroeger en 1 keer in de zoveel jaar komt dat terug. Nu drijft ie mij al bijna een maand tot waanzin.

Met dit weerzinwekkende geblaf verstoor ik niet alleen de slaap van mijn gezin, ook irriteer ik de concentratie van mijn collega’s. Vrijuit deel ik in lichaamssappen en storend geluid. Ik ben een levend bewijs voor bron van infectie en ben daarin erg succesvol. Veel van ze nemen mijn storende geluiden en gesnotter over. Ik ben niet alleen captainrodeonopvallendeboerenzakdoek meer. We maken veel geluid samen. Tot nu toe was er een groot verschil. Ik bleef komen, terwijl anderen afhaakten. Een combinatie van loyaliteit, maar vooral een kinderlijke naïviteit van hoogwaan; ik was immers altijd sterk genoeg en niet ziek genoeg om thuis te blijven.

Ik sloot mijn ogen voor de realiteit. In die naïviteit rende ik nog iedere week mijn rondje van 15 km, waarna ik kinkhoestend een half uur thuis moest bijkomen. Stond  ’s ochtends om half 7 voor het werk al aan de gewichten te trekken alsof ik een kerel van 25 zou zijn.

Verdomme ik ben 45 en heb niet meer de flexibiliteit van jonge vent. De weigering dit te erkennen bezorgd me het ziekbed. Geveld door griep, passed out.

Geen Burns supper gehad, zwaar klote

 

Op mijn 8e begon ik belangstelling te krijgen voor het koken. Onder de armen van mijn moeder door keek ik naar het snijwerk en de pruttelende pannen. Vrij snel daarna bakte ik mijn eerste ei. “Handig” vond mijn pa; “voor als je straks op kamers zit”.  Dat laatste begreep ik niet, maar het klonk toen als een compliment.
De jaren daarna had ik een haat/liefde verhouding met de gerechten die ik voorgeschoteld kreeg. Ik beleefde het eten als kind met in ontwikkeling zijnde smaak papillen. Lekker of niet te nassen. Mijn vader kookte nooit, hij deed zoals iedere man in de zomer met veel vertoon zijn BBQ kunstje. “grote stukken vlees bereiden is mannenwerk”. Later begreep ik zijn woordspeling pas, maar ik stond wel altijd naast hem te kijken terwijl hij het vuur oppookte en uit de bierfles dronk.
In mijn vervolg opleiding voor ‘beroeps-opvoeder’ werd de suggestie gewekt,  dat wij als opvoeders de pollepels moesten kunnen zwaaien. We kregen kookles in de keukens van de huishoudschool in Groningen. Ik kon toen al iets meer dan een eitje bakken en had al eens in de soep mogen roeren. Deze lessen zouden de basis gaan vormen voor mijn verdere culinaire ontwikkeling. Het rudimentaire werd er in 1 jaar door de struise kookjuf in gestampt.  Eindeloos stamppot en macaroni schotel maken.
Het echte experimenteren deed ik tijdens ‘het op kamers gaan’ waarin de allerhande in eerste instantie mijn richting bepaalde, later het idee. De finesse is later gekomen.
Nu kook ik voor het gezin en probeer ze te verblijden met rijke pasta sauzen, geurende oosterse mie’s, glanzende risotto’s  of ronde tagines. In onze 1 ster Michelin keuken wordt gewerkt…….

Met humeurige gezichten zitten de koters aan tafel, ik voorzie een muiterij. Er wordt met lange tanden gegeten.
M. als oudste, neemt het woord; “kunnen we nu nooit eens iets normaals eten? Altijd weer die vieze liflafjes van jullie!”
“Ja !”zegt Roos; “ik slik het altijd zo snel mogelijk weg, dan proef ik het niet!”
Toop zegt niks en schuift zijn bord voor zich weg. Duidelijker kan het niet.
“Wat stellen jullie voor?” vraag ik (hierin doe ik een beroep op mijn opvoedkundige lessen uit een ver verleden)
“We willen Hollands eten, gewoon aardappels, groente en vlees!” Alle drie kijken zeer beslist.

Na een week boerenkool, spitskool, spruiten, rodekool , bloemkool met worst, rookworst, blinde en rundervink, bal en karbonade smullen de koters en ik heb het wel gehad. Ik knal en voel me in deze eenzijdige opgeblazenheid een monatoetje.

Zaterdagmiddag ren ik in een omtrekkende beweging langs het keerpunt. Ik verslik me iedere keer in de steilte van de heuvel. De ruim 100 meter recht tegen de hoogtelijnen in, bijten in mijn kuiten en verhogen mijn hartslag. Bovenop, aan de rand van het plateau heb ik een fantastisch uitzicht over de stad. De stad die ligt te baden in het licht van de ondergaande zon. Maastricht krijgt nogmaals een rode gloed.
Ik vind het heerlijk hier te rennen. Het geeft me een groots gevoel. Heel in de verte zie ik Luik liggen. Luik is voor mij de poort naar de Ardennen. Synoniem aan ruig- en heel sterk gevoel van innerlijkheid.
Het pad slingert zich verder omhoog. Als ik door de struiken een open plek in ren, verstoor ik een half naakt koppel, die, aan het standje te zien, niets aan de verbeelding overlaat. Hij staat achter haar, met zijn broek op de knieën, terwijl zij voorovergebogen staat met haar broek op de enkels. Beide kijken me betrapt aan.
Ik glimlach.
Ik mompel iets van “gaat ie lekker?” en ren door. Ik hoor trouwens niet wat zij antwoorden. Ik heb the Ting Tings opstaan. Katie schreeuwt in mijn oor dat het niet haar naam is.
Iets blijft knagen aan dit beeld. Ik heb het opgeslagen op mijn netvlies en tijdens het rennen scan ik mijn geheugen bestanden; ‘ik ken haar toch?’.
De man zegt me niks, ken zijn gezicht niet, geen idee wie hij is. Maar die vrouw, haar wel.
Langzaam ga ik de gezichten af; werk, moedersophetschoolplein, boodschappendoenbijdebuurtsuperenappie, sportschool, landelijkeenregionaletelevisie, BN-erinnen. Het CPU gebruik van mijn hersencapaciteit wordt gestuwd naar een bijna 100%
En dan de eureka. Ondanks de stuwing krijg ik kippenvel. Een stroomstoot drijft door mijn lijf; ik weet wie ze is!
Ik ben getuige geweest van een heimelijke ontmoeting rond zonsondergang.
Ik ga niks verklappen, ik geef geen naam. Ze zal toch zeggen: that’s not my name

Na het alarm, doe ik mijn ogen verschrikt open. De wekker laat het zien in concrete cijfers: 06:30. Woest uit mijn slaap weg gerukt, komt na een tijdje het besef, waarom ik op dit onmogelijke tijdstip, in de herfstvakantie het bed uit moet. Ik heb een afspraak met mijn kapper.
Slaapdronken schuifel ik door een donker huis. Tijdens de douche, ontbijt en fietstocht naar de stad blijft het donker. Bij de treden van de fietsenstalling staar ik naar een donker gat. Pas na een blik op het bord met de openingstijden, dringt het tot me door. Thuis ligt er iemand zich enorm te verkneukelen en lacht de rest van de familie wakker. Ik ben een uur te vroeg, de wekker is express niet terug gezet. Wintertijd, waarschijnlijk door het uur jetlag is het me niet opgevallen. Onvoorwaardelijk vertrouwen in de wekker.

Nu sta ik in het donker, een uur wachttijd in het centrum van Maastricht. Om me heen sluiten de laatste kroegen. De laatste tijgers zwalken huiswaarts.
img00021-20091028-0630.jpg
Ik besluit op zoek te gaan naar het ontwaken van de ‘grande Dame’. Langzaam fiets ik door de binnenstad. In de kroegen worden de ramen verduisterd, voor een laatste afzakkertje aan de toog. Ik verwacht intieme gesprekken, of meer wat het buitenlicht niet kan verdragen. Ik zal het niet te weten komen. Op het vrijthof worden de terrassen schoon gespoten.

img00023-20091028-0634.jpg

Een politiewagen rijdt langzaam achter me aan en stopt wanneer ik foto’s neem. Ik trek me er niet zoveel van aan. Ook niet van het geschreeuw en gebral van huiswaarts kerende zatlappen. Alles in scherp contrast met de bedrijvigheid op de markt, die wordt opgebouwd.

img00024-20091028-0637.jpg

Taxi’s en schoonmaak bedrijven rijden af en aan.
img00025-20091028-0639.jpg

De nacht wordt langzaam verdreven  en morgenrood kleurt boven de oostelijke helft. Ik wil dit beeld beter kunnen pakken en fiets zuidwaarts de Pietersberg op.

img00030-20091028-0655.jpg

Hier heb ik een fantastisch uitzicht over de Maas vallei.

img00031-20091028-0656.jpg

Een ontwakende stad wordt geneveld in rode schakeringen. Ademloos sta ik minuten lang te kijken naar dit schouwspel. Ik probeer de kleuren te vangen, alleen de megapixels van mijn mobiel zijn niet genoeg om dit palet digitaal op te kunnen slaan. In dit gedeelte van de stad is het stil, ik hoor alleen het zachtjes suizen van de wind. Het langzaam op gang komende forens verkeer wordt verstomd door een warme zuidenwind. Naast een van de hotels op de berg staan tientallen Poolse auto’s geparkeerd. Hier slapen klusjesmannen, ver weg van eigen land en haard.
Nog eenmaal fiets ik de markt over. Inmiddels zijn alle kraampjes opgebouwd en waren uitgestald. Straks ga ik hier boodschappen doen.

img00034-20091028-0708.jpg

Van een ontwakende stad is eigenlijk geen sprake, de stad slaapt niet. Haar ingezeten zorgen voor een balans tussen rust en waken.

Next Page »